Burenhulp laat zich niet simpel oprekken

Zorgen voor de buren doe je vanuit vriendschap, niet omdat een professional het zegt. Sterker nog, haar bemoeienis werkt averechts. In buurthuiskamer of sportschool heeft professionele inbreng meer kans van slagen, want daar ontstaan makkelijk vriendschappen tussen buurtbewoners.

In de huidige discussie over burgerschap en gezondheid worden hoge verwachtingen geuit over ‘burgerkracht’ in buurtverbanden. De metafoor ‘burgerkracht aanboren’ suggereert dat er grote bronnen van burgerkracht verscholen zijn in de maatschappij, die liggen te wachten om met de juiste technieken en methodieken te worden ontsloten. Om zicht te krijgen op de bronnen van burgerkracht, deden we een klein etnografisch veldonderzoek in Maastrichtse achterstandsbuurten. En dan blijkt dat de metafoor van aanboren verkeerde verwachtingen wekt.

Burenhulp: balanceren achter de voordeur

Een vorm van burgerschap waar de overheid in het transitieproces op aan stuurt, heeft betrekking op hulp en zorgrelaties tussen burgers ‘achter de voordeur’ - door Kampen en collega’s ‘affectief burgerschap’ genoemd (Kampen et al 2013). Tijdens ons onderzoek bleken veel mensen weinig voorbeelden van hulp aan buurtgenoten achter de voordeur konden geven. Waar deze buurthulp voorkomt, zien mensen dit als onderdeel van vriendschappelijke buurtrelaties. Zo vertelt een oudere vrouw: ‘We lopen elkaar niet plat. Dat is het gewoon maar als je elkaar nodig hebt[…]die mensen ken je al veertig jaar.’

Zorgen voor anderen binnen vriendschappelijke relaties in de buurt vraagt om balanceren tussen afstand en nabijheid. Een echtpaar dat langdurige zorgrelaties met verschillende buurgenoten onderhield bouwde een hechte band op met een weduwe. Ze zagen haar bijna dagelijks en ondersteunden haar na het verlies van haar man. Maar de zorg en afhankelijkheid kan soms wel  ver gaan: ‘Zaterdags zat ze dan hier, maar ja dan had ik van alles beleefd en dat ging haar niks aan, dus dan zei ik gewoon: “liever niet”. Ja, dat vond ze dan wel jammer. Zondags zat ze hier altijd, kop soep en boterham, en we hadden dan de sport op, want hij [echtgenoot] is bezeten van sport. En naderhand hoorden we dan dat ze die sport maar niks vond. Maar ja, moeten wij ons dan helemaal aanpassen. En als het onweerde dan zat ze hier, en dan moest alles dicht, en dan zat ik poeh, … en ik deed alles voor dat mensje.’ Alleen als mensen de juiste balans vinden gaan vriendschappelijke buurtrelaties en zorg goed samen. Zorg kan buurtgenoten dichter bij elkaar brengen, maar het vraagt ook om grenzen en gevoeligheid voor grenzen. Dit echtpaar geeft aan dat erkenning van hun zorg belangrijk is voor de vriendschap. ‘Vóór haar 100ste verjaardag ging ze dood. En dat hebben haar kinderen niet laten weten. En dan denk ik, moet je nou nog helpen? Ik vind dat zo laag…’

Vriendschappelijke zorg tussen buren laat zich niet oprekken

Om, zoals gemeentelijke overheden willen, affectieve burgerkracht aan te boren zoeken professionals naar manieren om bestaande hulpvaardigheid tussen buurtgenoten ‘op te rekken’ (professional). Respondenten geven echter aan dat vriendschappelijke zorg tussen buurtgenoten niet professioneel bemiddeld of opgerekt kan worden. Vriendschap laat zich niet dwingen. Op een vraag over het ‘keukentafelgesprek’ reageert het echtpaar afwijzend. ‘Nee, wij doen het spontaan voor iemand die het echt nodig heeft. Maar niet georganiseerd. [..] Daar moet je zoveel vrije tijd voor vrijmaken, dat hebben we ook niet’. Ook andere respondenten vertellen dat hulp in de buurt vooral ontstaat tussen mensen die elkaar al kennen.

Toch blijkt het in de proeftuinbuurten door sociale spanningen en onveiligheid niet gemakkelijk om vriendschappen te sluiten. Velen proberen de contacten met buurtgenoten juist te beperken. Sommige buurtbewoners spreken buurtgenoten aan op overlast of proberen met woningbouwcorporatie te onderhandelen over oplossingen, maar ervaren dat ze weinig invloed hebben op de overlast. Over de contacten tussen overlastgevende zorgontvangers, buren en hulpverleners zegt een vrouw: ‘Weet je wat die hulpverlener tegen hem zei? Hij moest zich niet zo aanstellen en met de mensen praten. Maar daar kun je niet mee praten, dat is zo’n soort aso, want hij heeft al een paar keer vastgezeten…’ Ook door talrijke ervaringen met geweld en bedreiging ‘met honkbalknuppels’ komen affectieve buurtrelaties in grote delen van de proeftuinbuurten moeilijk tot stand.

In gastvrije zones kunnen vriendschappelijke zorgrelaties groeien

Waar buurtbewoners in straatinteracties spanningen en onveiligheid ervaren, zien we dat op (semi-)publieke ontmoetingsplekken sociale tegenstellingen worden overbrugd. De politicoloog Van Stokkom noemt deze plekken gastvrije ruimtes (2009). En precies daar - op deze veilige, laagdrempelige ontmoetingsplekken - manifesteert zich het doe-burgerschap: in buurthuiskamers, de sportschool,  de koffielounge en de bibliotheek, en parken gaan burgers relaties met elkaar aan door samen de handen uit de mouwen te steken. Net als in de thaiboksschool waar iedereen zich welkom mag voelen, maar zich wel aan de regels moet houden. De sociale tegenstellingen van de buurt verdwijnen er niet, maar de gastvrouwen en gastheren zorgen ervoor dat ze door de sport, discipline en vriendschappelijke omgang naar de achtergrond te schuiven, waardoor ‘Marokkanen en kaaskoppen’ zich samen thuis voelen. In andere gastvrije zones zoals de bibliotheek en de winkels worden de spanningen tussen ouderen en jongeren verzacht. Veel ouderen worden gepest door jongeren en proberen op straat contact met hen te  vermijden. In de bibliotheek zitten beide groepen echter samen in de leeszaal en in winkels spreken ouderen vaak uitgebreid met jongere medewerkers. ‘Dat heb ik wel gemerkt in de Plus, dat heel vaak oude mensen die nog maar alleen zijn, die komen dan met hun problemen naar je toe en dan gaan ze daar een heel verhaal over vertellen.’ (twintiger)

Terwijl  buurtbewoners weinig voelen voor georganiseerde affectieve zorgrelaties, bieden sommige  gastvrije zones openingen voor hulp en advies. Ze kunnen bijdragen aan de groei van ‘affectieve burgerkracht’. Zo kunnen in de koffielounge van het CJG (Centrum voor Jeugd en Gezin) ouders gezellig komen kletsen maar ook opvoedingsvragen bespreken. Een bezoeker van de buurthuiskamer zegt hierover: ‘Deze plek is wel belangrijk, vooral voor ouderen. Als het weg zou vallen is dat voor veel ouderen heel jammer, er is wel veel eenzaamheid…’  Professionals zijn essentieel voor een gevarieerde waaier van gastvrije zones voor buurtbewoners. Want burgers willen veel doen, maar niet alles. ‘Vrijwilligers vinden het leuk om hier mee te draaien, maar niet om die eindverantwoordelijkheid te krijgen dat het financieel rondkomt.’ (coördinator van de Buurthuiskamer)

Niet aanboren maar voeden

In buurten met veel sociale spanningen en onveiligheid kunnen bronnen van burgerkracht niet zomaar aangeboord worden. Affectieve zorgrelaties tussen buren komen moeilijk tot stand en waar ze bestaan laten ze zich niet oprekken, want vriendschap laat zich niet dwingen. Professionele bemoeienis met vriendschappelijke zorg roept dan ook weerstand op. Respondenten verzetten zich tegen de politisering van affectie en vriendschap. Dat laat onverlet dat doe-burgerschap bijdraagt aan diverse sociale verbanden waarin mogelijk ook vriendschappelijke zorgrelaties kunnen groeien. Uitbreiding van doe-burgerkracht vraagt echter wel om allianties met professionals.

Mare Knibbe en Klasien Horstman werken bij de vakgroep Health, Ethics & Society van de Universiteit Maastricht. Het onderzoek over burgerkracht werd gefinancierd door de gemeente Maastricht. Meer lezen? Zie: Burgerkracht aanboren of voeden. Onderzoek in een Maastrichtse proeftuin.

Reacties op dit artikel (3)

  1. Interessant onderzoek. Is er ook gekeken naar de betekenis en kansen van georganiseerde burenhulp? In Maastricht is er bijvoorbeeld ‘Veur Elkaar’ in de wijken Mariaberg en Pottenberg. Voordeel van zo’n georganiseerde vorm, is dat affectieve relaties geen voorwaarde zijn voor totstandkoming van hulp: het lijkt meer op thuishulp door vrijwilligers, maar dan op basis van korte klussen / vragen, in de buurt zelf. Zo kun je burenhulp ‘oprekken’, zonder vriendschap te politiseren.

  2. Beste Kitty,
    Bedankt voor je opmerkingen en aanvulling. Inderdaad is Veur Elkaar een goed lopend initiatief waarin buurtbewoners klussen voor elkaar opknappen. In Mariaberg is de buurthuiskamer de uitvalsbasis. In andere buurten worden soortgelijke initatieven opgezet. Ten tijde van het veldwerk werden in de buurten waar dit onderzoek over gaat plannen gemaakt voor de ‘buurtservice’, deze is inmiddels opgestart en ik heb gehoord dat er al veel vrijwilligers zijn die zich hebben aangemeld. Dit heb ik in de korte veldwerkperiode helaas niet kunnen meenemen. Het kan inderdaad een goede manier zijn om nieuwe vormen van buurthulp te initieren en nieuwe buurtverbanden te scheppen, zonder de bestaande burenrelaties ‘op te rekken’.

  3. Uiteraard kunnen beleidsmakers en professionals burenhulp en mantelzorg niet organiseren als een dingetje dat nodig is in het kader van decentralisaties, transities, en/of bezuinigingen. Integendeel. Hun bemoeienis werkt contraproductief.
    Beleidsmakers en professionals hebben zich tientallen jaren ingespannen om tegen burgers te zeggen dat zij het allemaal beter weten. Schaalvergroten, anonimiseren, individualiseren, professionaliseren, institutionaliseren, segregeren, uit handen nemen en ga zo maar door. Zij moeten hun onvermogen erkennen en zich terughoudend en bescheiden opstellen. Dan kunnen weer kansen ontstaan.
    Geef burgers ruimte (terug) om zelf invulling te geven aan gemeenschapszin en kwaliteit.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *