Actieve burgers zijn toch geen belediging voor professionals?

Het mobiliseren van ‘ondeskundige’ burgers in het sociale domein leidt onvermijdelijk tot gevaarlijke deprofessionalisering. Zulke kritiek op burgerkracht, onder meer verwoord door Evelien Tonkens, is volgens Jos van der Lans weinig constructief.

‘Wie in Nederland discussieert over wat burgers in dit land nu zelf kunnen doen, belandt vrijwel altijd  in de zogenaamde optel-aftreksom. Wat er van burgers bij komt, gaat er bij de professionals af - het is de wet van het zero-sum-denken. De verdeling kan verschillen, maar de uitkomst is gelijk. Het idee dat meer verantwoordelijkheid van burgers juist anders opererende en beter faciliterende instituties en professionals vraagt is daarom moeilijk tussen de oren te krijgen.’

Het is precies tien jaar geleden dat ik deze uitspraak deed in een lezing over wijkgericht werken. Het ‘sociaal domein’ was nog een onbekend begrip, net zoals ‘transitie’. In het geweld van de daarop volgende veranderingen begon ik te geloven dat de zero-sum-wet achterhaald was. De hele operatie was er immers op gericht om de zorg- en dienstverlening op een andere leest te schoeien, minder bureaucratisch, met meer mogelijkheden voor burgers om een rol te spelen, met andere vormen van besluitvorming en andere omgangsvormen tussen professionals en ‘amateurs’.

Interessante vernieuwingen, zoals Jouw Ingebrachte Mentor (JIM)

Natuurlijk, dat ging niet van een leien dakje. De verandering moest zich voltrekken onder de knoet van vergaande bezuinigingen; er waren regelrechte verzetsbewegingen (kinder- en jeugdpsychiaters); ‘eigen kracht’ werd nogal eens gebruikt om mensen uit te sluiten van hulp; professionals konden vaak maar moeilijk afscheid nemen van hun oude routines.

Maar daar staat tegenover dat er op tal van plaatsen wel degelijk interessante vernieuwingen op gang kwamen. In Walcheren bijvoorbeeld is het inmiddels standaard geworden om bij elke enigszins gecompliceerde hulpvraag betrokkenen (familie, vrienden, professionals) bij elkaar te halen om afspraken te maken over wie wat kan doen. Vorig jaar werden er 700 van dergelijke ‘netwerkberaden’ georganiseerd. Tot ieders tevredenheid.

Mijn favoriete voorbeeld zijn echter de JIM’s in de jeugdzorg. JIM staat voor Jouw Ingebrachte Mentor en dat kan een oom, zus, tante of buur zijn die door een jongere (leeftijd vanaf 12 jaar) wordt gevraagd om hem of haar te ondersteunen in het doorbreken van de aanhoudende conflicten thuis. Ambulante jeugdhulpverleners bepalen niet eerst wat er moet gebeuren, maar gaan met de jongere op zoek gaan naar wie de JIM kan zijn. JIM functioneert als vertrouwenspersoon voor de jongere, maar ook als een aanspreekpunt en overlegpartner voor ouders en professionals. Hij wordt daarin (onder meer door een korte training) ondersteund. Er zijn tot nu toe nog maar een honderdtal JIM ’s in stelling gebracht. Maar de resultaten zijn aansprekend. In 90 procent van de gevallen wordt uithuisplaatsing voorkomen.

Prachtig zou je denken, maar hoogleraar Evelien Tonkens heeft haar bedenkingen

Prachtig zou je denken, misschien is het idee zelfs toepasbaar op andere terreinen. Maar hoogleraar burgerschap en humanisering van instituties Evelien Tonkens heeft zo haar bedenkingen. In Het Parool van 12 september typeert zij de deze trend naar het inschakelen van burgers als een belediging van professionals ‘wier kennis klaarblijkelijk niets waard is’.

Zij ziet in de opkomst van JIM’s een voorbeeld dat de grenzen tussen professionals en niet-professionals vervagen: ’Iedereen zou een gelijkwaardige mededeskundige zijn. Een kwalijke gedachte, schadelijk voor het zelfvertrouwen en het gezag van professionele hulpverleners, die wel degelijk een vak hebben geleerd.’ Als het niet goed gaat in de hulpverlening, dan moeten we volgens Tonkens vooral niet de zorg verder ontmantelen door ondeskundigen in te schakelen, maar juist investeren in een verdere professionalisering.

Het is een redenering die steeds vaker te horen is. Het mobiliseren van ‘ondeskundige’ burgers om verantwoordelijkheid te nemen leidt onvermijdelijk tot (een gevaarlijke vorm van) deprofessionalisering. Het is de oude wet van het zero-sum-denken, die aan een revival lijkt te zijn begonnen. Mij lijkt dat weinig constructief.

Het gaat immers in de transitie niet om deprofessionaliseren, maar juist om het reprofessionaliseren. Dat wil zeggen: om de erkenning dat sociale professionals in de levens van mensen altijd passanten zijn, dat ze aantoonbaar geen monopolie hebben op de verlossende remedie, dat ze per definitie over beperkte tijd en aandacht beschikken en hun kennis en ervaring het beste productief kunnen maken als zij erin slagen die te delen met betekenisvolle anderen rondom hun ’cliënten’.

Dat type sociale professionaliteit past niet in bureaucratische formats, kan zich niet opsluiten in individualiserende gespreksmomenten, uit zich niet louter in een in het dossier vastgelegd plan-van-aanpak, maar doet zich met het oog op sociale duurzaamheid gelden in een context waarin het een professionele vaardigheid is om ook andere krachtbronnen in het herstelproces te mobiliseren en te ondersteunen. Dat is in abstracto wat de JIM-aanpak in de praktijk beoogt.

Laten we er, ondanks al het gemopper en bezuinigingen, vooral mee doorgaan

Eigenlijk is dat niet eens nieuw. In zekere zin wordt hier een werkwijze hernomen die ooit in het sociaal en maatschappelijk werk gewoon was, maar die door een overmaat aan bureaucratie, financieringsstromen, therapeutische invloeden, professionele geldingsdrang en institutionele verkokeringen uit beeld is geraakt. Dat veranderen is geen belediging van professionals, zelfs geen aanslag op hun professionaliteit, maar juist een enorme verrijking van hun vak. Laten we er daarom - ondanks al het gemopper en bezuinigingen - vooral mee doorgaan.

Jos van der Lans is publicist. Deze column verschijnt ook in het nieuwe Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken

Foto: JD Lasica (Flickr Creative Commons)

Reacties op dit artikel (9)

  1. Het is goed te lezen dat Jos van der Lans op zijn schreden terugkeert en het belang van de sociale professional onderschrijft. Maar hij veegt zijn straatje te vlug schoon. Hij heeft met zijn eerdere stellingname grote onrust veroorzaakt onder de werkers en de echo’s daarvan klinken nog steeds na. Lees wat hij in Burgerkracht (2011) schreef over het welzijnswerk; het zou mensen tot cliënt maakt en niet eigenaar van hun problemen laten, het praat over en voor mensen en sluit hen in in een institutionele logica van indicaties en hulpprogramma’s. Lees ook de kwalificaties waarmee het welzijnswerk getypeerd werd (zie ook Eropaf 2010): “Weinig effectief… de zorg monopoliserend…professionele spaghetti… een behandelingscultuur met het individuele trajectdenken, geïndividualiseerde indicaties, en een spreekkamerprofessionaliteit… Welzijn geen hond weet wat het voorstelt.” In Eropaf (2010) bleek dat de professional “zich zelden of nooit kan beroepen op een set vaardigheden en competenties die hem blijvend onderscheidt van de mensen met wie hij werkt”. Zij bleken een vak te hebben wat iedereen met de nodige praktijkervaring onder de knie kan krijgen. De burger is een sociale professional . Bovendien “Het wordt steeds duidelijker dat veranderingen in mensenlevens niet wordt aangejaagd in een relatie met een deskundige, maar hun dynamiek juist vinden in een netwerk met betrokkenen.” Daarmee heeft Van der Lans toch flink bijgedragen aan het oude refrein van Achterhuis dat sociale professionals eigenlijk overbodig zijn, zelfs de zelfredzaamheid van burgers in de weg staan en dat iedereen kan wat zij kunnen. Dat dat tot twijfel en onzekerheid bij de werkers leidde en reflectie op hun taak werd door Van der Lans vervolgens gekwalificeerd als “zelfkwelling” waarmee ze maar vlug moesten stoppen ( Welzijnswerkers zijn niet overbodig. Soc. Vraagstukken 1maart 2014). Het lijkt erop dat Van der Lans precies weet wat sociaal werkers wel en niet moeten doen ( vooral niet helpen) en het frustreert hem dat professionals toch “makkelijker in de stand van hulpverlener en probleemoplosser schieten dan in de rol van netwerkorganisator”. Of daar misschien een goede reden voor kan zijn is een vraag die ik Van der Lans nog niet heb zien stellen. In Burgerkracht verklaart hij dat de overheid afstand moet doen van veel van haar maakbaarheidsfantasieën. Een wijze raad, niet alleen voor de overheid.
    Sjef de Vries. o.a auteur van Eropaf…en dan? (SWP 2012)

  2. Beste Sjef,
    Jouw reactie komt mij een beetje Calimero-achtig over.
    Ik ben geen sociaal werker laat staan hulpverlener, maar ik waardeer dat Jos van der Lans fundamentele vragen stelt bij waar de professionalisering van het sociale doemein vanaf 1970 ons heeft gebracht.
    Vanuit mijn praktijk* stel ik iig vast dat burgers eerder uit hun kracht gehaald worden door de verregaande professionalisering van het normale leven en het taboe op lijden, wat we heden ten dage meemaken.
    Gr,

    Hans
    *
    https://www.zonmw.nl/nl/onderzoek-resultaten/geestelijke-gezondheid-ggz/programmas/project-detail/actieprogramma-lokale-initiatieven-mensen-met-verward-gedrag/eigen-plan-trekken-door-zelfhulp/

    https://www.zonmw.nl/nl/onderzoek-resultaten/geestelijke-gezondheid-ggz/programmas/project-detail/actieprogramma-lokale-initiatieven-mensen-met-verward-gedrag/de-escalerende-en-herstelondersteunende-crisisaanpak/

  3. Een voor mij brandende vraag blijft onbeantwoord. Zijn gepensioneerde vrijwilligers met een adequate en soms hoge opleiding, veel vakkennis en (levens)ervaring, nu bedreigend of juist niet (ze stellen toch kennis en niveau beschikbaar)? Zelf ervaar ik forse hinder van de status pensioen met wel veel toegevoegde waarde die niet meer erkend wordt. Oh ja; ik ben een lastige vastbijter, maar nog best sociaal vaardig, maar claim dus wel inspraak op mijn oude vakgebieden. Meestal niet effectief. Toevallig ben ik als alfa EN beta man soms te practisch en probleemoplossend. Ik denk dat dat een reden kan zijn, maar zou je als jeugdprofs niet meer je best moeten doen om die gratis kennisbundel te benutten?

  4. Misschien goed om een paar punten te verhelderen.
    1. Ik was altijd kritisch over het begrip welzijn. Te algemeen, te weinigzeggend en een soort vlag op organisaties die op overheidsbestelling (lees financiering) programma’s/producten in wijken afleveren. In de publicatie ‘Burgerkracht’ draaiden Nico de Boer en ik het denken om. Niet langer denken in termen van programma’s en producten, maar zie welzijnsorganisaties veeleer als faciliterend bedrijven, waarin sociale professionals in een andere verhouding tot burgers komen te staan. Dat zijn niet langer klanten/consumenten, maar veeleer coproducenten. Dat is geen aderlating voor hun professionaliteit, maar een herijking daarvan. Dat in deze beweging het begrip welzijn langzaam maar zeker uit beeld begint te raken, is niet omdat ik onrust stook, maar omdat het begrip niet langer functioneel is voor de nieuwe realiteit waarin sociale professionals te werk gaan.
    2. Wie mijn publicaties goed leest, weet dat ik nooit heb gepleit voor deprofessionalisering of professionals heb afgebrand. Integendeel, ik heb altijd een lans gebroken voor sociale professionals die met kennis van zaken, passie en hartstocht, in een open verhouding tot andere betrokkenen (burgers en professionals) en dichtbij burgers hun belangrijke werk kunnen doen zonder dat zij op voorhand in hun handelen geformatteerd worden door bureaucratische ordeningen, financiële verplichtingen en andere systeembeperkingen. Daarover ging het boek Ontregelen (2008), en Eropaf (2010). En ja, die waren inderdaad kritisch over die ontwikkelingen die juist dit type sociale professionaliteit belemmerden, die bijvoorbeeld het opbouwwerk aan de kant schoven (om het daarna opnieuw uit te vinden). Ik was kritisch over de spreekkamercultuur, de individualiserende output-verplichtingen, de verkokerde mentaliteit, de dwingende logica van de systeemwereld. Maar niet om sociale professionals à la Achterhuis weg te schrijven, maar eerder om hen weer van professioneel zelfvertrouwen te voorzien. Het ging, zoals de ondertitels van Ontregelen en Eropaf ook vertellen om: ‘Een herovering van de werkvloer’ en ‘Een nieuwe start van het sociaal werk’. In plaats van op mijn schreden terugkomen, wat Sjef de Vries mij graag ziet doen, zie ik er weinig anders in dan een consequente redenering, waarvan je inderdaad moet vaststellen dat velen die gedachten inmiddels zijn gaan delen. Dat is geen onrust, dat is een stevige en terechte discussie over wat in een moderne samenleving sociale professionals te doen staat. Het doet mij goed dat die discussie sinds de transitie van het sociale domein heel intensief en heel omvattend wordt gevoerd en dat er praktijken zijn gevormd waarin deze vorm van professionaliteit opnieuw kan rijpen.
    3. Kortom, ik veeg geen straatjes schoon. Al was het maar omdat mij niet precies duidelijk is wat ik nu bevuild zou hebben. De bureaucratie? Het bedrijfskundig denken? Het productdenken in de sociale sector? De verkokering? De gesloten professionalisering? De 22 professionals die zich over een multiprobleem gezin buigen? Als Sjef de Vries die straatjes bedoelt, moet ik hem teleurstellen. Die blijf ik nog wel even bevuilen, want de slag is nog lang niet gestreden.

  5. Jos van der Lans onderstreept terecht een intrigerende ontwikkeling in het sociaal domein waarbij wat eens de kerncompetentie van de professional was – contact maken, vertrouwen krijgen – lijkt te zijn overgenomen door een kwalitatief sterk persoon uit het netwerk of een ervaringswerker/deskundige. Wat mij onder meer doet afvragen, waar de professional dan nog wel voor is. Een soort toegang tot het zo vermaledijde zorgsysteem waar hij of zijn de weg in weet?

  6. Zouden we het naar analogie van deze discussie ook eens kunnen hebben over de rolverdeling tussen ouders en leraren over de vorming van en het onderwijs aan de jeugd? Een delicaat dingetje, vermoed ik.

  7. De kern van deze poedel is de vraag of professionele kennis en ‘indigenous knowledge’ van de bevolking zonder elkaar kunnen (en elkaar dan verdringen) of dat ze elkaar aanvullen. De tweede optie wordt veruit het meest gewenst. Probleem daarbij is echter dat zowel in het welzijnswerk als in de ggz de vraag wat professionele kennis op dit moment is, hakkelend en aarzelend en met veel persoonlijke interpretaties wordt beantwoordt. In een sociaal of medisch systeem zonder hierarchische verhoudingen, zonder beleid en planning waar geen burger aan te pas kwam, in een systeem met andere, nieuwe narratieven zullen professionals nu snel moeten laten zien wat ze kunnen, anders gaat het licht voor hen op rood. Dat er inmiddels huizen voor de buurt zijn waar nog maar een (1) professional werkt maar dan wel een die weet wat zijn taak en plaats is en niet meer door ‘het welzijnswerk’ wordt aangestuurd maar door de bewoners van de wijk zelf, geeft wel ongeveer aan in welke richting het in elk geval kwantitatief zal gaan. Voor de ggz is dat helaas nog steeds een verre droom.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *