Een klimaat van onzekerheid

In de discussie over klimaatverandering staan de ‘alarmisten’ lijnrecht tegenover de sceptici die verwachten dat het zo’n vaart niet zal lopen. Als we meer onzekerheid toelaten bij de inschatting van de risico's is er mogelijk een uitweg uit deze patstelling.

De groene politiek is in een vreemde paradox verzeild geraakt. Enerzijds is ‘groen’ een allemansvriend geworden: een gewild etiket dat vaak alleen voor de schone schijn wordt opgeplakt (greenwashing). Anderszijds waarschuwen (wij) groenen graag op luide toon voor een naderende klimaatcatastrofe. Te vaak horen we dat onze ‘kwetsbare en ‘eindige’ planeet binnenkort aan menselijke roofbouw, uitputting en vervuiling ten onder zal gaan.

Het is bijna onbetamelijk geworden om hieraan te twijfelen, zeker sinds het wereldwijde succes van Al Gore’s film An Inconvenient Truth in 2006 en de publicatie van het laatste klimaatrapport van het IPCC in 2007. Volgens Gore staan het voortbestaan van onze beschaving en de bewoonbaarheid van onze planeet acuut op het spel. De opwarming van de aarde verschaft hem naar eigen zeggen ‘een morele zekerheid die vergelijkbaar is met die van Lincoln in zijn strijd tegen de slavernij of die van Roosevelt tegen het fascisme.’

Klimaatsceptici

Deze alarmistische consensus wordt sinds kort verstoord door het jonge gilde der klimaatsceptici. Maar zij stonden lange tijd zo ver af van de heersende opvatting dat ze door de gevestigde milieubeweging en beleidsmakers niet serieus werden genomen. Totdat in november 2009 ‘Climategate’ losbarstte. Uit uitgelekte emails van vooraanstaande Britse en Amerikaanse klimaatwetenschappers bleek dat zij onwelkome gegevens hadden verdoezeld die de urgentie van de boodschap mogelijk zouden kunnen afzwakken. In het spoor hiervan werden enkele fouten ontdekt in de rapportage van Werkgroep 2 van het IPCC: lichte overdrijvingen die bepaalde gevolgen van klimaatverandering opnieuw ernstiger leken voor te stellen dan feitelijk gerechtvaardigd was.

De sceptici beschuldigden het IPCC ervan teveel wetenschappelijke zekerheid uit te stralen, en verwierpen het mantra van Gore en het IPCC dat de wetenschap ‘er uit was’ (‘the science is settled’). Klimaatverandering is volgens hen van alle tijden en kan, voorzover problematisch, heel goed worden opgevangen door de dynamiek van de markteconomie en slimme technologische innovatie. Alarmisme is een vorm van politieke paniekzaaierij door een linkse lobby die wordt gedreven door moralisme en die aanstuurt op grootschalig staatsingrijpen in de ondernemersvrijheid en de consumptievrijheid van de burger.

Vier posities

Mijn indruk is dat het klimaatdebat uit deze welles-nietes-tegenstelling kan worden bevrijd als we een grotere dosis onzekerheid durven toe te laten. Klimaatbeleid wordt te vaak geëist op de hoge toon van een categorische imperatief. Anderzijds is duidelijk dat de meeste klimaatsceptici die naam eigenlijk niet waard zijn. Hun scepsis is selectief en opportunistisch: net als militante atheïsten zijn het eerder omgekeerde gelovigen die er alleen op uit zijn de gevestigde milieuwetenschap onderuit te schoffelen.

Eén manier om te ontkomen aan de gespiegelde zekerheden van de ‘linkse’ milieupolitiek en de ‘rechtse’ klimaatscepsis is om meer verschillen te maken. Aan beide zijden treffen we immers radicale en meer gematigde repertoires aan. We kunnen in het klimaatdebat daarom (minstens) vier posities onderscheiden: 1. alarmisten; 2. gevestigde klimaatwetenschappers en mainstream groene politici; 3. gematigde sceptici en 4. populistische klimaatontkenners.

Het is zaak om 1 en 2 niet op één hoop te gooien, net zoals we steeds verschillen moeten blijven zien tussen 3 en 4. Terwijl klimaatalarmisten en populistische ontkenners op het eerste gezicht volstrekte tegenpolen zijn, naderen zij elkaar niettemin in hun militante zelfverzekerdheid en hun neiging om tegenstanders te verketteren of zelfs te demoniseren. De meest interessante wisselwerking is dan ook die tussen de beide gematigde repertoires 2 en 3: zij biedt de beste kansen om het groene denken en de groene politiek te revitaliseren.

Anders dan de militante klimaatpopulisten ontkennen gematigde sceptici als Bjørn Lomborg, Mark Lynas of Marcel Crok niet dat de aarde opwarmt, dat de menselijke uitstoot van broeikasgassen daarvoor in hoge mate verantwoordelijk is en dat niet-ingrijpen ernstige consequenties kan hebben voor de toekomst van de menselijke soort. Maar zij geloven niet dat de klimaatverandering de val van onze beschaving of het einde van onze planeet zal inluiden.

Groen als moreel project

Mainstream onderzoekers en gematigde sceptici zijn het dus eens over het feit van de opwarming zelf (op dit moment rond de 0,8 graden) en het opwarmende effect van CO2. Maar zij verschillen over de vraag welke invloed die extra uitstoot precies heeft op het klimaat. De onzekerheden beginnen al bij projecties van het tempo en de omvang van de opwarming en van de kritische kantelpunten die onomkeerbare klimaatgevolgen kunnen veroorzaken.

Zowel alarmisten als populisten ontkennen dat die onzekerheden bestaan. De eersten beschouwen het worst case scenario als wetenschappelijk bewezen, terwijl de tweeden geloven dat er helemaal geen probleem bestaat en dat ingrijpen overbodig is. Beiden beroepen zich met grote stelligheid op de evidentie van wetenschappelijke dan wel ervaringsfeiten, en betichten elkaar over en weer van manipulatie, overdrijving en het bedrijven van pseudowetenschap.

Maar inschattingen van risico’s en het bepalen van kritische grenzen (zoals de beroemde tweegradengrens) zijn voor een deel waardengeladen, politieke operaties die een ruimere marge van interpretatie en debat toelaten. De belangrijkste discussietermen in het klimaatdebat: duurzaamheid, groei, draagkracht, klimaatgevoeligheid, ecologische voetafdruk, ‘overshoot’, ‘steady state’ etc. zijn behalve empirisch-theoretische ook ethisch geladen categorieën. Het begrip ‘grens’ (als in ‘grenzen aan de groei’) is juist een van die politiek-filosofische kernbegrippen waarin feiten en waarden onherroepelijk door elkaar heen lopen, en die als gevolg daarvan altijd controversieel en betwistbaar blijven. In dit opzicht zijn ecologische grenzen zowel uitwendig als inwendig: zij worden niet alleen bepaald door objectieve biologische feiten maar ook door een morele houding van zelfbeperking en matiging.

De uitdaging is dus om de groene politiek opnieuw uit te vinden in het licht van deze chronische onzekerheid over de klimaatgevoeligheid van de aarde. Een minder shock-and-awe-gerichte benadering, die meer ruimte laat voor morele afweging en politiek debat, schept een breder draagvlak voor preventieve klimaatpolitiek dan een alarmistische politiek van de angst. De wetenschap is er niet uit, en zelfs als dat zo was, zouden we nog steeds moeten strijden om verschillende opvattingen van het goede groene leven.

 Dick Pels is socioloog en directeur van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks.

Reacties op dit artikel (3)

  1. Angst is een slechte raadgever en kan juist leiden tot ontkenning.
    Hoop genereren, en manieren laten zien waarop mensen een deel van de oplossing kunnen betekenen (wat ze bijna allemaal graag willen!) is veel kansrijker.
    In Engeland is de denktank “New Economics Foundation” al heel lang bezig om andere toekomstbeelden te schetsen. Een schitterend voorbeeld: Nic Marks met zijn Happy planet index; http://sco.lt/4gxLOb

  2. Ik vraag me af of de opinies, zoals Dick Pels deze in vier keurige categorieën en langs één as indeelt, hier wel juist worden weergegeven.

    In dat geval zou het namelijk simpel zijn. Volgens de heer Pels zijn immers zélfs de ‘gematigde sceptici’, zoals Marcel Crok, van mening dat: “niet-ingrijpen ernstige consequenties kan hebben voor de toekomst van de menselijke soort.” In dat geval lijkt ingrijpen toch de meest aangewezen koers, want alléén categorie 4 wordt dan niet bediend? Categorie 1 t/m 3 kunnen alleen maar voorstander zijn van ingrijpen.

    Er bestaan inderdaad forse onzekerheidsmarges binnen de klimaatwetenschap. Deze hebben betrekking op de snelheid van verdere klimaatverandering en op de precieze gevolgen – niet op de constatering, om Dick Pels nogmaals te citeren: “dat de menselijke uitstoot van broeikasgassen daarvoor in hoge mate verantwoordelijk is.” Ook de gematigde sceptici erkennen dit immers?

    Deze onzekerheidsmarges zijn een *onvermijdelijk* onderdeel van de klimaatwetenschap, die niet beschikt over aarde nr. 2 t/m 999 om repliceerbare experimenten mee te doen. Het is een vorm van onzekerheid die op geen enkele wijze tot nul gereduceerd kan worden, maar die wél kwantificeerbaar is en uitgedrukt kan worden in marges met 95% waarschijnlijkheid voor bijvoorbeeld de klimaatgevoeligheid. De beste wetenschappelijke kennis, zoals periodiek door het IPCC beoordeeld (‘assessed’), wijst op een klimaatgevoeligheid van 2 – 4,5 °C voor elke verdubbeling van CO2.

    Onzekerheidsmarges werken echter twee kanten op: het kan meevallen, maar de kans is even groot dat het tegenvalt.

    De beste manier om daarmee om te gaan is het begrip ‘risico’: het product van kans en de daaruit voortkomende schade. De lidstaten van de VN hebben nu juist het IPCC opgericht “to assess .. the scientific basis of risk of human-induced climate change, its potential impacts and options for adaptation and mitigation”, en het zou wel een beetje raar zijn om vervolgens deze risico’s te negeren.

    Tot slot wil ik er op wijzen dat de ‘klimaatdiscussie’ inderdaad een aanzienlijke morele en ideologische component bevat – zélfs gegeven de maximale wetenschappelijke duidelijkheid, hangt ingrijpen af van de bereidheid om serieuze offers te brengen voor latere generaties, voor mensen elders en voor het behoud van ecologische systemen. Deze offers vinden dan plaats ‘in the face of uncertainty’, die immers wetenschappelijk onvermijdelijk is én zal blijven.

    Mvg,
    Bob Brand

  3. Behoren klimaatwetenschappers als Jim Hansen, Kevin Anderson, John Schellnhuber tot de gevestigde klimaatwetenschappers of tot de alarmisten?

    Zij pleiten immers voor pakweg 6% mondiale CO2-reductie per jaar, vele malen meer dan tot dusver politiek bespreekbaar is, zoals bv in het artikel van Hansen ea ‘The Case for Young People and Nature’:
    http://pubs.giss.nasa.gov/abs/ha08510t.html

    Zij stellen dat er bij lagere reducties een aanzienlijk risico is dat de beschaving het niet zal redden en dat het IPCC de urgentie op belangrijke punten nog onderschat heeft.

    Zij slaan alarm, maar niet door bewust te overdrijven of onzekerheden te miskennen of verdoezelen, maar juist door de risico’s zo direct mogelijk onder ogen te zien. Niettemin worden ze door allerlei niet-klimaatwetenschappers ten onrechte als ‘alarmistisch’ gezien. Ook door niet-klimaatwetenschapper Dick Pels?

    Angst kan evolutionair gezien een zeer gezonde reactie zijn op een bedreigende situatie, die aanzet tot vechten of vluchten. In dit geval is vluchten moeilijk, want dat zou dan naar een andere planeet moeten, dus lijkt vechten voor zo snel mogelijke CO2-reducties de enige perspectiefvolle optie. Of heeft Pels een wetenschappelijk beter onderbouwd alternatief?

    Het zou fijn zijn als het wetenschappelijk bureau van GroenLinks zich grondiger zou verdiepen in de actuele stand van de klimaatwetenschap. Of heb ik de strekking van Pels’ betoog niet goed begrepen?

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *