We moeten nu ook weer niet te veel verwachten van de wederkerigheid in relaties

In het sociale domein hebben we al onze hoop gezet op de wederkerigheid in de relaties tussen burgers. Ten onrechte, de relaties van mensen met een verstandelijke beperking bijvoorbeeld kenmerken zich juist door een tekort aan reciprociteit.

Heel de herwaardering van informele contacten in de zorg, ondersteuning en begeleiding is gebaseerd op de reciprociteit die de relaties tussen burgers zou kenmerken. Maar is dat altijd terecht? Om wederkerigheid te bewerkstelligen is immers empatisch vermogen noodzakelijk, je moet je in een ander kunnen verplaatsen, maar wat als dat nou juist erg lastig is?

Om die vraag te beantwoorden, hebben we interviews afgenomen onder mensen met een licht verstandelijke beperking die gebruik maken van een Wmo-voorziening én onder professionals van diverse zorginstellingen. Uit ons kwalitatieve onderzoek blijkt dat de reciprociteit in de relaties tussen mensen met een licht verstandelijke beperking en hun informele netwerken helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Dat komt voornamelijk  doordat mensen met een licht verstandelijke beperking vaak meerdere problemen hebben (Olthof, 2014), vaak sterk op zichzelf gericht zijn en zich maar moeilijk in de ander kunnen inleven (Zoon, 2012). En omdat zij slechts weinig belangstelling voor de ander hebben, zijn hun relaties dikwijls onbestendig (Schuurman, 2002).

‘De ene keer is het contact goed en de andere keer is het contact weg. Dat is wat je toch wel veel ziet bij onze doelgroep. Bepaalde contacten kunnen ze niet vasthouden. Hebben ze een vriendenkring is het ineens van, ik heb allemaal vrienden, maar er hoeft maar iets te gebeuren en het is geen vriend meer. Het netwerk is heel kwetsbaar. Dat is een nadeel.’

Vooral oppervlakkige en instabiele relaties

Al eerder is gebleken dat het informele netwerk van mensen met een licht verstandelijke beperking niet groot is. Ze bestaat vooral uit vrienden die zelf vaak een beperking hebben, familieleden, en zorg- of hulpverleners (Cardol, Speet &Rijken, 2007). De relaties in dat netwerk worden nog al eens gekenmerkt door oppervlakkigheid en instabiliteit en zijn veelal onvoldoende betrouwbaar om in geval van nood op terug te vallen. De veronderstelling dat familieleden een belangrijk deel uitmaken van het sociale netwerk klopt niet. Sterker nog, medecliënten spelen in sommige gevallen een veel grotere rol in het leven van iemand met een licht verstandelijke beperking dan dienst bloedverwanten.

De bevindingen van ons praktijkgerichte onderzoek laten zien dat wederkerigheid relatief weinig voorkomt bij de doelgroep. Ofwel, wanneer mensen met een licht verstandelijke beperking iets krijgen, hebben ze niet meteen de neiging om iets terug te doen. En als ze al een tegenprestatie leveren, dan gebeurt dat vooral vanuit welbegrepen eigen belang of omdat regels dat voorschrijven.

In relaties tussen medebewoners en vrienden uit de wederkerigheid zich meestal in incidentele en praktische hulp. Idem dito in relaties met familieleden. Er is echter een groot verschil: in relaties met familieleden krijgen mensen met een licht verstandelijke beperking vaker hulp, dan dat ze zelf hulp bieden. Ze bieden bijvoorbeeld regelmatig gezelschap aan vrienden, maar niet aan familieleden. Het geven en ontvangen van emotionele steun, informatie en waardering komt zowel in relaties met familie als vrienden zelden voor, dat komt voor rekening van professionele ondersteuners.

‘Ik kan mijn vader wel vragen voor een klusje in huis, of een goede collega of zo, maar het is wel zo dat als diegene wat voor mij doet, dan geef ik die er wel altijd wat voor terug. Ik doe wel eens zijn huishouden bijvoorbeeld. De ene hand wast de andere (vrouw, 27 jaar).’

Professionele ondersteuning moet duurzamer

Een mindere mate van wederkerigheid hoeft overigens niet per se negatieve gevolgen te hebben voor de relaties. Familieleden lijken begrip te hebben voor de onbalans; ze helpen hun verwante met een verstandelijke beperking vanuit loyaliteit en verplichting en verwachten daarvoor niet meteen iets terug. In de relaties tussen mensen met een licht verstandelijke handicap en hun vrienden is er vaker wel een balans tussen geven en nemen. De vriendenkring van de doelgroep bestaat voornamelijk uit medecliënten die elkaar meestal opzoeken voor de gezelligheid. Aldus zorgen mensen met een verstandelijke beperking ervoor dat ze niet alleen zijn. Het samen zijn, geeft voldoening, ondanks dat ze eerder dingen ‘naast elkaar’ dan ‘met elkaar’ ondernemen.

Het beroep op het informele netwerk van álle Nederlanders zal de komende jaren toenemen. De vraag rijst dan ook of het informele netwerk van mensen met een licht verstandelijke beperking toereikend is om ondersteuning, begeleiding en zorg te bieden. Professionele ondersteuners kunnen nu nog wel de benodigde hulp verlenen, maar ze vrezen wel dat ze dit in de nabije toekomst waarschijnlijk niet meer kunnen.

Dat is vooral zorgwekkend omdat het informele netwerk van mensen met een licht verstandelijke beperking wordt gekenmerkt door oppervlakkige en vluchtige relaties, waardoor structurele steun vanuit het informele netwerk lastig is te realiseren. Bovendien voelen professionele ondersteuners zich steeds meer bezwaard om nog meer beroep te doen op het informele netwerk van mensen met een licht verstandelijke beperking. De professionele ondersteuning zal derhalve duurzamer moeten worden ingericht. Ze moet met andere woorden zoeken naar oplossingen om sámen met cliënten een structureel en bestendig netwerk opbouwen zodat de mensen met een licht verstandelijke beperking er straks, maar vooral op de lange termijn, niet alleen voor komen te staan.

Karin Asma en Lianne Huizing deden voor hun opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening aan de Hanzehogeschool Groningen onderzoek naar de mate van wederkerigheid in de informele relaties van mensen met een lichte verstandelijke beperking. Hun onderzoek is verbonden aan het promotieonderzoek van Jaap Olthof over de gevolgen van de participatiegedachte voor mensen met een licht verstandelijke beperking.

Foto: Jessica Kennedy (Flickr Creative Commons)

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik ben wel benieuwd wat het onderzoek laat zien over het empathisch vermogen en het vermogen tot wederkerigheid bij de hulpverlener. Of ‘geven en nemen’ daar altijd in balans is …

  2. Geheel ten onrechte wordt in dit artikel het begrip ‘wederkerigheid’ uit het sociale domein begrepen als het economische begrip reciprociteit. In de economische wetenschap betekent reciprociteit dat er een door de partijen redelijk verhouding wordt nagestreefd tussen geven en nemen. Daarin spelen alle waardecreaties een rol, ook intrinsieke en relationele.
    In het sociale domein gaat het niet om de zinsnede ‘redelijke verhouding’ maar om ‘EEN tegenprestatie’. Gelukkig is er in de WMO geen enkel kader te vinden waarin de verhouding tussen het geven en nemen is gewogen, bijv. in termen van de maatschappelijke waarde uitgedrukt in geld of zachte waarde als genegenheid, geluk, enz.
    Aanrader: bestudeer onder meer het boek ‘Reciprocity’ (Cambridge Un. Press, 2008) van Serge-Christophe Kolm (Hoogleraar Economie in Parijs). Dat boek verrommelt een te snelle mening terzake; het boek ondermijnt eendimensionale denkbehuizingen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *