Nederland is nog allesbehalve een sportland

Het is Nationale Sportweek, een initiatief dat nog steeds van groot belang is, vindt Koen Breedveld, want we sporten in Nederland wel, maar nog lang niet genoeg. Hier ligt een schone taak voor de overheid. Gemeentes zouden het sporten op zijn minst kunnen promoten.

Onze samenleving lijdt aan bewegingsarmoede en daarom zal niemand betwisten dat sport en lichaamsbeweging een goede zaak zijn. Logisch dat minister Edith Schippers van Sport en Gerard Dieliessen (directeur NOC*NSF) het sporten aanmoedigen; maar zij zijn allesbehalve pioniers. Het was Cornelis Miermans die al in 1959 inging op de veranderde positie van sport. En het was het ministerie van CRM dat zich in 1974, in de allereerste sportnota, al zorgen maakte over onze gezondheid. Dat roept de vraag op waar we nu, veertig jaar later, staan met de sport[1]. In de media is het tegenwoordig sport voor en sport na. Politiek en bedrijfsleven dwepen met de sport, en bij grote hardloopevenementen laten hordes sportgekke mannen en vrouwen zich als lemmingen door de binnenstad leiden. Is daarmee Nederland nu een sportland? Zo ja, wat schieten we daarmee op? En zo nee, wat valt daar eventueel aan te doen?

Toen in 1963 het CBS voor het eerst informeerde naar de actieve sportdeelname, was zwemmen de meest beoefende sport. Daarna kwamen voetbal, en kaarten en een hele reeks kleinere sporten, waaronder turnen en ‘hengelen’ (zie figuur 1). Als vijftig jaar later vergelijkbare vragen worden gesteld, zien we ten eerste dat er nu veel meer mensen aan sport doen. Deed in 1963 38 procent van de degenen van twaalf jaar en ouder aan sport, in 2013 is dat 70 procent. In 1963 sportten mannen nog beduidend meer dan vrouwen (respectievelijk 45 en 30 procent), maar in 2013 is dat sekseverschil vrijwel opgeheven (72 en 68 procent).

Verder zien we dat het sportlandschap anno 2013 beduidend rijker en breder is dan in de jaren zestig. Er is nog steeds een fors aantal mensen dat zwemt, maar fitness is nu de meest beoefende sport. Daarnaast doen veel mensen aan wandelen, wielrennen of hardlopen en zien we nieuwe sporten als bowlen, mountainbiken en yoga. Sport anno 2013 is uitgegroeid tot een heuse industrie, goed voor 12,7 miljard aan bestedingen (1 procent van het Bruto Binnenlands Product). Het veel geroemde Nederlandse verenigingsleven maakt deel uit van die sportindustrie, maar is daarin zeker geen monopolist. Grote groepen burgers kopen hun sport in bij het fitnesscentrum, spreken met vrienden of kennissen af om te gaan hardlopen of gaan naar het zwembad om wat baantjes te trekken.[2] Internationaal slaat Nederland met sport een uitstekend figuur. In geen ander land ligt de verenigingsgraad zo hoog en is men zo tevreden over het sportaanbod als in Nederland. Met onder andere de Scandinavische landen staat Nederland in de top waar het de sportdeelname en het sportvrijwilligerswerk betreft.

Figuur 1: sportdeelname per tak van sport, 1963 en 2013, in procenten van de bevolking van 12 jaar en ouder

 

 

 

 

 

 

 

Bron: CBS / Mulier Instituut

Kinderen zijn minder lenig dan in 1963

En toch: Nederland is nog allesbehalve een sportland. Ga maar na: 70 procent van de Nederlanders doet íets aan sport, maar 63 procent sport minstens eens per maand en 50 procent sport wekelijks. Ofwel: 5 miljoen Nederlanders sporten minder dan eens per maand, 8 miljoen mensen sporten minder dan eens per week. Vooral onder lager opgeleiden sporten er beduidend minder mensen, een verschil dat in 1963 ook al bestond en sindsdien eerder groter is geworden dan kleiner. Verder gaapt er nog steeds een groot gat tussen het sporten van etnische minderheden en geboren Nederlanders en tussen mensen met en zonder een beperking. Voor zover Nederlanders sporten, doen ze dat met mate. Van de 48 uur wekelijkse vrije tijd waar we over beschikken, besteden we 1,7 uur aan het zelf sporten. De meeste vrije tijd gaat op aan kletsen met elkaar en aan lezen, tv kijken en computergebruik. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat kinderen anno nu minder lenig en minder sterk zijn, minder goed kunnen gooien en vangen en over minder conditie beschikken, dan kinderen een kwart eeuw terug. Sporten doen ze nog wel, maar buitenspelen een stuk minder. Geen wonder, want straten zijn onveilig geworden en binnen is het lekker warm. FIFA 14 heeft de plaats ingenomen van het straatvoetbal.

En het onderwijs dan? Dat is in die tijd niet of nauwelijks veranderd. Rondom de school mag er dan van alles gebeuren, maar in het curriculum zelf is goed leren bewegen geen item. Van de basisscholen maakt 46 procent geen gebruik van vakleerkrachten, 29 procent doet dat ten dele en niet meer dan een op vijf zet enkel gespecialiseerde gymleraren in. Over uitbreiding van het aantal uren gym is oeverloos gesteggeld, zonder resultaat. En dat in een tijd dat we al het bewegen verbannen uit het dagelijks leven, en de overheid burgers aanspoort om vooral te blijven bewegen met het oog op de uit de pan rijzende gezondheidskosten.

Grootste winst: investeer in het bewegingsonderwijs

De belangrijkste winst van de afgelopen jaren is dat meer mensen zich ervan bewust zijn geworden dat gezondheid (ook) je eigen verantwoordelijkheid is en dat bewegen daar een belangrijke rol in speelt. Sport maakt daar onderdeel van uit. In een tijd dat niemand meer hoeft te bewegen, maakt sport dat mensen nog willen bewegen. Sporten is daarin geen noodzaak, maar voor wie geen zin heeft in een hond en geen aanleg voor de tuin, is sporten een zinvol alternatief. De overheid wil mensen dan ook graag stimuleren om meer te sporten, maar is dat realistisch? De werkelijkheid is dat de overheid hier nauwelijks middelen voor heeft. Burgers dingen verbieden is makkelijker dan ze aanzetten om iets op te pakken. Zeker in het geval van de sport. Want sport mag dan machtig zijn om te doen, sport is ook makkelijk om te laten.

Het beschikbare budget van de overheid is echter beperkt, maar er liggen nog wel degelijk kansen. De grootste winst zit hem vermoedelijk in een investering in bewegingsonderwijs. Een investering die zich overigens direct terugverdient in lagere gezondheidskosten[3]. Met het onderwijs bereik je immers juist de groepen die echt een steun in de rug nodig hebben, lager opgeleiden en etnische minderheden, en waarvan ouders niet ook al aan sport doen. Typisch de groepen die niet vanzelf hun weg weten te vinden naar sportverenigingen. Toch zie ik dit niet snel gebeuren. Stapels vuistdikke rapporten onderschrijven het belang van positieve jeugdervaringen voor een sportief levensverloop. Maar het onderwerp sneuvelt iedere keer op de institutionele verkokering (OCW en VWS) of anders op de beperkte rolopvatting van het onderwijs (lezen en rekenen, meneer!).

Veel hangt af van de gemeentelijke inzet

Verder zal het vooral van de gemeentelijke inzet afhangen. Daar liggen de mogelijkheden om te blijven investeren, in uitnodigende accommodaties en gezonde sportverenigingen. Die moeten worden verknoopt aan het onderwijs, de gezondheid, het welzijn en de private sportaanbieders (fitness, dansen, yoga, squash). Zo bouw je aan een lokaal sportnet dat burgers langs verschillende kanalen stimuleert om actief te worden en te blijven. Meer is er vaak ook niet nodig. Veel mensen willen best wel sporten, als iemand ze daartoe uitnodigt. Maar dan moet dat wel gebeuren. De gemeente zit daartussen als spin in het web én mede financier. Maar de gemeente kan niet alles, en zeker niet alleen. Wat je als gemeente wel kunt, is uitstralen hoe belangrijk je sport en bewegen vindt. Bijvoorbeeld, via de Nationale Sport Week die deze week wordt gehouden. Een slimme wethouder wijst daarbij op wat hij/zij via sport realiseert op aanpalende beleidsterreinen. En op hoe iedere in sport geïnvesteerde euro zich dubbel en dwars terugverdient door de mobilisatie van enthousiaste sportvrijwilligers. We winnen veel met sport, roept de sportkoepel. Hoeveel precies, blijft lastig te bepalen. Maar dát er wat te winnen valt met sport, staat buiten kijf.

Koen Breedveld is directeur van het Mulier Instituut en bijzonder hoogleraar sportsociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Deze column en alle daarin gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op de inaugurele rede van de auteur, op 16 april jongstleden. Voor reacties: k.breedveld@maw.ru.nl.

 

Noten:


[1] Deze column en alle daarin gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op de inaugurele rede van de auteur, op 16 april jongstleden. Zie Breedveld, K. (2014). Sportparticipatie: uitdagingen voor wetenschap en beleid. Nijmegen: Koen Breedveld.

[2] Zie de column van Jan Willem van der Roest, Maarten van Bottenburg en Lucas Meijs op deze site d.d. 22 maart 2014.

[3] Berekeningen van TNO en Veiligheid.NL geven aan dat de samenleving 677 miljoen euro aan zorgkosten bespaart als iedereen voldoende beweegt. Zie Sociaal en Cultureel Planbureau (2008). Rapportage Sport 2008, pp. 281-292. Den Haag: SCP.

Reacties op dit artikel (1)

  1. De belangrijkste winst van de afgelopen jaren is dat meer mensen zich ervan bewust zijn geworden dat gezondheid (ook) je eigen verantwoordelijkheid is en dat bewegen daar een belangrijke rol in speelt.

    Er ligt een brede maatschappelijke verantwoordelijkheid, waar ook zorgverzekeraars deel van uitmaken. Uiteindelijk betalen we de kosten allemaal samen van verminderde vitaliteit en ziekte.

    Er kan nog veel meer worden ingezet op fietsen en lopen, door bijvoorbeeld fietsers overal! voorrang te geven tov auto´s. En meer wandelpaden aan te leggen, met name in het buitengebied.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *