School en ouders kunnen jongere weerhouden van voortijdig schoolverlaten

Op scholen waar het risico op schooluitval het grootst is, zijn ouders vaak het moeilijkst bereikbaar. Mariëtte Lusse vroeg zich af hoe het grootstedelijk vmbo het contact met ouders moet vormgeven om schooluitval te voorkomen. Louise Elffers  en Sofie J. Cabus deden eerder verslag van onderzoek.

 
Het risico op schooluitval is het grootst in de lagere onderwijsniveaus en bij kinderen met een laagopgeleide ouders uit de lagere sociaaleconomische milieus. Waar het risico op schooluitval het grootst is, valt het scholen echter het zwaarst om contact te leggen met de ouders. Dit geldt zeker als ook sprake is van een grote diversiteit aan etnische achtergronden bij de ouders. De ouders op dergelijke scholen hebben hierdoor de reputatie onzichtbaar en afwezig te zijn. Dat bleek uit mijn onderzoek in Rotterdam-Zuid, waar de schooluitval het grootst is van Nederland.

Op basis van een literatuurstudie en een veldstudie op vier vmbo´s, waarbij ouders (74), leerlingen (99) en mentoren (63) zijn geïnterviewd en het contact tussen hen is geobserveerd (43x) is een handreiking ontwikkeld. Deze handreiking is bedoeld de scholen te helpen het contact met de ouders te verbeteren, met preventie van schooluitval als uiteindelijke doel. De veldstudie richtte zich dan ook zowel op regulier contact tussen ouders en school (rapportgesprekken, open dagen, ouderavonden en dergelijke), als op contact in risicosituaties voor schooluitval. .

Ouders associëren school daardoor alleen nog met slecht nieuws

Door de kennis uit internationaal onderzoek te koppelen aan de ervaringen, wensen en dagelijkse strubbelingen op de Rotterdamse scholen, konden succesfactoren worden benoemd om tot beter contact te komen. Opvallend is bijvoorbeeld dat internationaal onderzoek laat zien dat de rol van ouders thuis - ook bij laagopgeleide ouders - het meest relevant is voor schoolsucces en preventie van schooluitval, terwijl scholen zich hier eigenlijk niet zo goed raad mee weten. In het gesprek met ouders is alleen aandacht voor de ontwikkeling van het kind op school en wordt de koppeling met thuis maar weinig gelegd. Ook teleurstellingen in de schoolloopbaan worden maar weinig besproken en omgezet in nieuw perspectief. Wat ook opviel is dat in het voortgezet onderwijs het contact tussen school en ouders vaak pas tot stand komt als er iets mis gaat. Bovendien is in het contact - tot grote ergernis van de leerlingen - vooral aandacht voor slechte cijfers en slecht gedrag.

Ouders associëren school daardoor alleen nog met slecht nieuws. Als school steeds naar huis belt met negatieve berichten keren niet alleen de leerlingen, maar ook de ouders zich van school af. Scholen besteden opvallend weinig aandacht aan de aanwezigheid van de leerling in het contact, terwijl de literatuur en de veldstudie laten zien dat de leerling zelf een belangrijke rol speelt in zowel de mate waarin de ouder thuis de kans krijgt zich te bemoeien met schoolzaken als in de mate waarin contact tussen ouder en school tot stand komt. Snelle winst is tot slot te boeken bij de organisatie van het contact: ouders bleken soms letterlijk voor een gesloten deur te staan omdat het tijdstip of de datum van een ouderavond was verschoven of omdat de ontvangst niet goed was geregeld.

Interventies moeten een positieve insteek hebben

De ontwikkelde handreiking is bedoeld om scholen te helpen de gesignaleerde zwakke plekken te verbeteren. De kern van deze handreiking bestaat uit succesfactoren voor het aangaan van een relatie met ouders en voor een betere inhoudelijke invulling van het contact. Op verzoek van de deelnemende scholen zijn deze succesfactoren ook uitgewerkt in een aantal voorbeeldinterventies, die de scholen op maat kunnen maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een op de handreiking gebaseerd kennismakingsgesprek of een (interactieve) ouderavond over schoolloopbaankeuzes. Deze interventies hebben met elkaar gemeen dat ze een positieve insteek hebben, een brede gesprekagenda hanteren waarbij ook de ontwikkeling en begeleiding van de leerling thuis besproken wordt en aandacht is voor de ambities, interesses en loopbaankeuzes van de leerling en dat de leerling altijd aanwezig is bij het gesprek.

Het lukte de scholen om (bijna) alle ouders te bereiken

Vijftien scholen (voortgezet onderwijs, praktijkscholen, cluster 4 scholen en mbo-locaties) zijn met de handreiking aan het werk gegaan. De ouders die aan een op de handreiking gebaseerde activiteit (bijvoorbeeld een kennismakingsgesprek) hadden meegedaan waren positiever over de relatie met school en over de verkregen informatie dan de ouders die een traditioneel rapportgesprek hadden bijgewoond. De opkomstcijfers bij de activiteiten zijn geregistreerd omdat de aanpak alleen kan bijdragen aan preventie van schooluitval als juist ook de ouders bereikt worden die een hoge drempel naar school ervaren. Op basis van de opkomstcijfers van 57 klassen in het voortgezet onderwijs kan geconcludeerd worden dat het de scholen goed is gelukt om (bijna) alle ouders te bereiken. De opkomst was gemiddeld 85 procent en bij individuele gesprekken in de onderbouw zelfs 97 procent. Dit laatste percentage is gemeten over 29 klassen verspreid over elf scholen in Rotterdam Zuid. We kunnen over deze ouders dus niet meer spreken als zijnde onzichtbaar of afwezig.

Op de deelnemende scholen is met de handreiking een eerste stap gezet in het verbeteren van het contact met ouders als bijdrage aan de preventie van schooluitval. De scholen zoeken inmiddels vroegtijdig contact met alle ouders. Met behulp van de richtlijnen zorgen ze ervoor dat ouders zich welkom voelen, wordt de leerling zelf altijd uitgenodigd bij oudergesprekken en gaan die gesprekken niet alleen over wat er slecht gaat, maar ook over wat er wel goed gaat. Ouders hebben nu meer aanleiding om trots te zijn op hun kind. En zoon of dochter krijgt hier het nodige zelfvertrouwen van om de school met succes te kunnen afronden.

Mariëtte Lusse is pedagoog en werkt als hoofddocent aan Hogeschool Rotterdam. Dit artikel is gebaseerd op haar dissertatie ‘Een kwestie van vertrouwen. Een ontwerpgericht onderzoek naar het verbeteren van het contact met ouders in het ‘grootstedelijke’ vmbo als bijdrage aan preventie van schooluitval’, Erasmus Universiteit Rotterdam, december 2013. Zie: www.hr.nl/onderzoek/publicaties.

Foto: Bas Bogers

Dit artikel is 868 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Graag wil ik reageren op dit artikel:
    tot 2001 was ik orthopedagoge en lokatiedirecteur op een school voor onderbouw-VMBO, LWOO en asielzoekers kinderen, ongeveer 400 leerlingen in totaal.
    Geen gemakkelijke leerlingen. Toen ik aangesteld werd bleek dat er veel leerlingen uit de klas gestuurd werden door slecht gedrag. Er was geen opvang in de school want het adjunct had het veel te druk met de organisatie van de school. Leerlingen liepen in het centrum, stalen dingen uit winkels, maakte het centrum onveilig maar gingen ook weer terug naar hun basisschool om veiligheid en opvang te ervaren vanuit de oude vertrouwde (toeleverende) school. Dit alles was een ernstige basis voor schooluitval.
    We hebben toen een opvanggroep gestart in de school zelf. Doel was de leerlingen op school houden door een positief klimaat voor leerlingen en docenten te stimuleren:
    1:Een opvangdocent ving in een apart lokaal de uit de klas verwijderde leerlingen op. Zeer goed onderbouwde motieven met huiswerk gedocumenteerd op een gele kaart, was de eis die we aan de docent stelden die de leerling uit de klas stuurde. Deze kaart moest de leerling afgeven aan de opvangdocent. De leerling ging dan aan het werk in de opvanggroep.
    2.Er liep geen leerling meer buiten de les zomaar op de gang en zeker niet buiten de school.De verantwoordelijkheid lag hier bij de docent.
    3.Als een leerling verzuimde werd dat meteen geregistreerd door de opvangdocent. Die haalde elke ochtend de verzuimregistratie op en maakte werk van verzuim door dezelfde ochtend contact met de ouders op te nemen. Bij ongeoorloofd verzuim moest de leerling dit dubbel inhalen in de opvanggroep, alles in samenspraak met de ouders.
    De resultaten die we bereikten waren:
    1.De gele kaart ging in het leerlingendossier en naar huis zodat de ouders op de hoogte waren van het gedrag van hun kind.
    2.De opvangdocent praatte met de leerling, ving ze op luisterde en gaf ze adviezen. Ze kregen aandacht voor hun problemen. Ze hadden een vertrouwde plek in de school gevonden die hun gedrag niet bestrafte, niet beloonde maar gewoon aandacht aan hen gaf.
    3. Uit de klas gestuurde leerlingen deden het huiswerk in de opvanggroep waardoor ze geen achterstand kregen en bijbleven. Vaak werden ze nog extra geholpen als ze iets niet begrepen.
    4. Bij 3 keer een gele kaart kregen leerlingen een rode kaart en werden er met de ouders gesproken. Kwam daar niets uit dan werd de leerling besproken in een groter team met de schoolarts, de leerplichtambtenaar, politie, maatschappelijk werk etc. Een multifunctionele benadering.
    5. de effecten voor de leerkrachten waren enorm. Zij hoefde geen moeilijk gedrag meer te accepteren waardoor ze de lessen niet meer konden voort laten gaan. Zij kregen ondersteuning doordat ze hun verhaal konden delen en niet meer in de anonimiteit van de eigen lessen hoefden te opereren. Door terugkoppeling vanuit de opvangdocent kreeg de docent meer inzicht en handvatten om de leerlingen te benaderen. De mentor kreeg door de gele kaarten meer inzicht in de leerlingen en kon hier beter met de ouders over praten.
    Voor de leerlingen werd de leerfabriek een school, een veilige haven waar ze met hun problemen, begrepen werden en geaccepteerd werden. Positief gestimuleerd werden, thuisproblemen konden bespreken samen met of zonder ouders. Het beste was, we hielden ze op school.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *