Stedelijke vernieuwing moet uitnodigend zijn

Stedelijke vernieuwing bestond tot voor kort uit de bouw van compleet nieuwe wijken of de stichting van nieuwe steden. Die tijd van grootschalige, centralistisch geleide programma’s is voorbij. Nu is er ‘stedelijke vernieuwing op uitnodiging’, ook haalbaar in niet-florissante wijken.

Ons onderzoek in Lelystad heeft duidelijk gemaakt wat de grote opgave voor de stedelijke vernieuwing de komende jaren zal zijn, namelijk: hoe geef je stedelijke vernieuwing vorm als meer mensen een woning bezitten dan huren? Het gangbare idee is dat een eigenaar meer verantwoordelijkheid voelt voor een woning dan een huurder en ook beter zorgt voor de eigen woonomgeving.

In Lelystad is een kleine 70 procent van de huizen in particuliere handen. Dat is ruim boven het landelijk gemiddelde van 60 procent. Als we de blik nu richten op twee grote wijken in de polderstad, de Atolwijk en de Zuyderzeewijk, dan valt op dat de woningen er absoluut niet florissant bij staan. En wie nog beter kijkt, valt het op dat de woningen die er het best uitzien nota bene huurwoningen zijn. Eigenaarschap betekent dus kennelijk niet automatisch dat de woning beter onderhouden wordt of dat de woonomgeving meer aandacht krijgt.

Meer respons dan verwacht

Voorjaar 2013 nodigden de gemeente, de lokale woningcorporatie en het Rijk een keur aan instituten binnen en buiten Lelystad uit om te bespreken hoe de particuliere woningverbetering aangepakt zou kunnen worden. Het doel van de bijeenkomst was om ook banken, bouwbedrijven, zorg- en welzijnsinstellingen voorstellen te laten formuleren waar vooral de bewoners baat bij zouden hebben. Merkwaardig genoeg werden de bewoners zelf niet aan tafel genood. Zij werden nog niet gezien als eigenaren van het probleem. Ook opvallend was dat de drie grote opdrachtgevers (gemeente, corporatie en Rijk) wel een vraag stelden, maar meteen aangaven geen rekening te willen ontvangen.

Je zou verwachten dat er dus weinig tot geen respons zou komen op de uitnodiging. Maar, tegen de verwachting in, kwamen die voorstellen er wel. Voorstellen die betrekking hadden op zowel de aanpak van de maatschappelijke vraagstukken als op de bouwkundige staat van de woningen in de buurten en wijken. Ze voorzien in de oprichting van een wijkbedrijf en een kluswinkel plus de verduurzaming van woningen.

Resultaat: een wijkbedrijf, klusbedrijf en een duurzaamheidsinitiatief

Het wijkbedrijf, geleid door bewoners, moet een thuisbasis bieden voor initiatieven en er massa aan geven. Zo zijn er nu al initiatieven tot woningverbetering, in de vorm van schilderwerk bijvoorbeeld, waarbij een schildersbedrijf materiaal beschikbaar stelt en advies geeft, waarna bewoners zelf de klus klaren. Ook zijn er voorstellen om energie collectief op te wekken en om het groenonderhoud door bewoners zelf te laten doen.

De kluswinkel is een initiatief om werkloze buurtbewoners werkervaring op te laten doen zonder dat zij hun uitkering verliezen. Die ervaring kunnen zij opdoen in kleine onderhoudsklussen, zowel voor particuliere woningeigenaren als voor huurders. De woningcorporatie wil haar kluswerk graag aan de winkel uitbesteden en stelt een pand beschikbaar. De gemeente zal actief helpen om mensen aan zo’n werkervaringsplaats te laten beginnen. Het wijkbedrijf krijgt in het pand van het klusbedrijf een thuisbasis, en gaat onder dezelfde naam werken.

Het duurzaamheidsinitiatief richt zich erop dat de kosten die de bouwers voor woningaanpassingen moeten maken, worden betaald uit het bedrag dat bewoners later aan energie besparen. Dit voorstel is overigens nog volop in ontwikkeling, omdat de financiering ingewikkeld is, voor de bouwers maar ook voor de financiële instellingen en het Rijk.

Voor een waarlijk uitnodigende houding van gemeenten is meer nodig

In haar beleid heeft de gemeente Lelystad er nadrukkelijk voor gekozen om stedelijke vernieuwing op uitnodiging als sturingsfilosofie te adopteren. Daarbij gaat ze er vanuit dat bewoners, ondernemers en het maatschappelijk middenveld (en coalities tussen deze drie) het initiatief nemen en de gemeente zich waar nodig aansluit. Maar het wijkbedrijf, de kluswinkel en het duurzaamheidsinitiatief danken hun bestaan wel aan het feit dat de gemeente met steun van partners deze initiatieven heeft uitgelokt. En om deze levensvatbaar te houden zal de gemeente  de eigen verkokerde systemen in beweging moeten krijgen. Ze krijgt immers te maken met mensen die zowel aanbieder als afnemer van diensten zijn, zowel commercieel ondernemer als maatschappelijk weldoener zijn en diensten ruilen én inkopen. Een uitnodigende gemeente weet deze werelden pragmatisch aan elkaar te knopen, geldstromen te bundelen en initiatieven, via maatschappelijk aanbesteden, de wind in de rug geven.

De kunst bij stedelijke vernieuwing op uitnodiging is het uitlokken en faciliteren van collectieve actie, de eigen systemen op orde brengen en als gemeente op tijd weer uit beeld gaan. Gemeenten die het principe ‘het initiatief ligt bij de samenleving’ omarmen, kunnen niet zomaar alles loslaten. Uitnodigen is niet voor niets een werkwoord.

Frans Soeterbroek is socioloog en werkzaam op het terrein van ruimtelijke ontwikkeling, lokaal bestuur en doe-democratie. Olof van de Wal is werkzaam bij Platform31 en heeft zich gespecialiseerd in de transitie van de stedelijke vernieuwing in Nederland. Dit artikel is gebaseerd op het door Soeterbroek en Van de Wal geschreven essay over het samenspel tussen lokale initiatiefnemers en overheid bij stedelijke vernieuwing op uitnodiging in Lelystad

 

Dit artikel is 686 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Beste Frans en Olof,
    Dank voor jullie mooie analyse. Aan de ontwikkelingen in Lelystad, i.h.b. de Atolwijk en de Zuiderzeewijk, ligt een lange geschiedenis ten grondslag. Al in de jaren negentig van de vorige eeuw werden daar vrij ruime sociale huurwoningen verkocht aan zittende bewoners. Velen van hen hadden echter geen sterke inkomenspositie. Bovendien was de staat van onderhoud op het moment
    van verkoop al niet goed, waardoor het probleem in snel tempo groter werd. De resulterende verpaupering van woningen, met een bijbehorend waardeverlies, leidde tot een schril contrast tussen de particuliere en sociale huurwoningen, temeer daar de lokale woningcorporatie de sociale huurwoningen juist ging renoveren (zie http://www.kenniswerkplaats-leefbaar.nl/wp-content/uploads/Review-essay-KWP-10102013.pdf).
    We zouden dan ook met grote argwaan moeten kijken naar de (politieke) druk op woningcorporaties om veel huurwoningen te verkopen, teneinde de klap van de verhuurdersheffing op te kunnen vangen. Jullie constateren terecht dat gemeenten die het principe ‘het initiatief ligt bij de samenleving’ omarmen, niet zomaar alles los kunnen laten. Op hoger bestuurlijk niveau geldt iets soortgelijks en ontbreekt een waarlijk uitnodigende houding van het Rijk. Veel corporaties zijn goed in het faciliteren van collectieve actie, maar worden nu genoodzaakt om de uitnodigende hand naar bewoners in de zak te houden.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *