Jaap Dronkers’ erfenis voor Nederland

2 april 2016 - In het paasweekend werd onderwijssocioloog Jaap Dronkers op 71-jarige leeftijd getroffen door een herseninfarct, waarna hij enkele dagen later overleed. Sociale Vraagstukken vroeg drie sociologen en twee journalisten: Wat is het belang en de erfenis van Jaap Dronkers als socioloog voor Nederland?

Martin Sommer, politiek commentator van de Volkskant: ‘Ruim drie weken geleden had ik Jaap Dronkers aan de telefoon. Ik vroeg wat hij vond van de notitie Ons Onderwijs 2032, het fundament van de onderwijsvernieuwing van staatssecretaris Sander Dekker. Jaap zat in de trein, hij had de notitie niet gelezen, was dat ook niet van plan. “Ik doe alleen nog onderzoek voor parlementaire enquêtes”, zei hij grappend. Het was wat hem betreft de zoveelste aflevering van de zelfontplooiingslobby, ten koste van de gelijke kansen voor kinderen.

Jaap Dronkers kende ik sinds 2006. Toen schreef hij over de nadelige effecten van echtscheiding. Ook voor de gelijke kansen, want het waren juist de kinderen uit de lagere milieus die de gevolgen van scheiding ondervonden. Dat was geen populaire boodschap. Kort daarna werd hij gehoord in de parlementaire enquête onderwijsvernieuwingen. Hij vertelde hoe hij al tien jaar niet werd ontvangen door het ministerie van Onderwijs. Dat was omdat hij meewerkte aan de publicatie van de eindexamenresultaten in dagblad Trouw.

Het ministerie wilde de fictie overeind houden dat alle scholen even goed waren. Ook bij vakgenoten was Jaap niet altijd geliefd: zijn afscheidsrede, waarin hij sprak over de verschillende uitkomsten van schoolonderzoeken en centrale examens, werd nergens gepubliceerd. Hij zou hebben gesuggereerd dat scholen ermee sjoemelden. Natuurlijk niet. Voor de enquêtecommissie legde hij uit dat het gemak waarmee bijvoorbeeld zwarte scholen hogere punten toekenden, zich onvermijdelijk later tegen de leerling zou keren, aangezien de roep van de betrokken school achteruit zou gaan.

Het was allemaal Jaap Dronkers ten voeten uit. Hij was een ouderwetse sociaaldemocraat, vóór gelijkheid en sociale stijging. Bovenal was hij als wetenschapper geïnteresseerd in feiten, niet in de goedkeuring van de goegemeente. Daar zijn er vandaag de dag veel te weinig van.’

Socioloog des Vaderlands - Peter Achterberg, hoogleraar sociologie aan de Universiteit Tilburg, en Tim Reeskens, universitair docent aan die universiteit: Jaap Dronkers zal niet snel vergeten worden. Niet alleen vanwege zijn omvangrijke oeuvre waarmee veel sociologen in binnen- en buitenland vertrouwd zijn; ook vanwege zijn enthousiasme in het sociologische debat. Binnen de sociologie schreef hij voor de Nederlandstalige sociologische tijdschriften, ook in tijden waar ISI-rated publicaties (internationale erkende academische tijdschriften, red.) de norm werden. Bovendien was hij altijd present op de Nederlandse sociologiecongressen en hij bereid op een constructieve manier van gedachten te wisselen met beginnende en gevorderde onderzoekers.

Maar het meest in het oog springende aspect van Dronkers’ erfenis is wel dat hij als geen ander ingewikkelde sociologische vraagstukken en het complexe empirische onderzoek dat hij deed voor een breed publiek toegankelijk wist te maken. Ook recentelijk schreef hij nog geregeld blogposts op Stukroodvlees.nl en de HuffingtonPost.com om het Nederlandse publiek en het maatschappelijke debat te voorzien van de broodnodige voeding.

Kom er maar eens aan, zo’n socioloog die jarenlang – lang voor het woord valorisatie in zwang raakte – het prachtige sociologische onderzoek dat hij deed op de maatschappelijke kaart zette. De Nederlandse grootmeester van de onderwijssociologie zal node gemist worden.’

Frank Tieskens, redacteur bij RTL Nieuws, die samen met Jaap Dronkers werkte aan de ‘Dronkerslijsten’, waarin de kwaliteit van scholen publiek werd gemaakt: ‘Jaap Dronkers vond dat het de taak van een wetenschapper is om de maatschappij te laten profteren van zijn werk en kweet zich als geen ander van die taak. Hij nam tot in zijn laatste dagen volop deel aan maatschappelijke debatten en was een voorvechter van onderwijsbeleid dat op wetenschappelijk bewijs gestoeld is.

Daarbij voelde Jaap zich voor niemand te goed en was hij altijd bereid uitleg te geven en met zijn tegenstanders in debat te gaan. Van de staatssecretaris van Onderwijs tot een bezorgde online reaguurder: iedereen die Jaap een serieuze vraag stelde kon rekenen op een uitgebreid, geleerd en vaak geestig antwoord. Alleen met mensen die feiten negeren omdat ze niet bij hun ideologie of belangen passen, had hij geen geduld.

Voor zijn publicaties over de prestaties van scholen trad hij buiten de gebaande universitaire paden en werkte hij samen met journalisten. Hij deed dat uit de overtuiging dat openbaarheid de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt: vreemde ogen dwingen. Daar was moed voor nodig, want zeker niet iedereen nam hem dat in dank af.

Jaap stortte zich echter met volle overgave in de talloze discussies die op de ‘Dronkers-lijsten’ volgden. Naar aanleiding van een van die online twistgesprekken mailde hij ooit: “Weet je niet dat een geboren en getogen Amsterdammer zoals ik altijd het laatste woord heeft?”

Het is eeuwig zonde en een groot gemis dat Jaap Dronkers nu nooit meer het laatste woord zal hebben. Maar gelukkig zullen we tot in lengte van jaren profijt hebben van zijn werk.’

Herman van de Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, en als onderwijssocioloog een directe collega van Dronkers: 'De belangrijkste erfenis van Jaap Dronkers als socioloog voor Nederland is, in mijn ogen, zijn uitstekend vermogen om empirisch onderzoek voor het voetlicht te brengen van de maatschappij, en de wetenschap dienstbaar te maken aan de samenleving. Hoewel de ‘Dronkerslijsten’ vermoedelijk de belangrijkste publieke erfenis zijn, moeten we niet vergeten dat Jaap ook in de wetenschap zelf belangrijke papers schreef. Al lang geleden toonde hij in toptijdschriften aan dat de sociale ongelijkheid in het onderwijs door de Mammoetwet nauwelijks is verminderd. Wederom een beleidsrelevante bevinding, maar ook wetenschappelijk van groot belang. En zijn werk over echtscheiding en eenoudergezinnen is ook zeer goed bekend.

Ik kende Jaap zo’n twintig jaar, en vanaf het begin van mijn wetenschappelijke loopbaan heeft hij zijn betrokkenheid bij mijn werk getoond. Zijn invloed op mijn visie op de publieke taak van de socioloog is aanzienlijk. Wij hebben een verantwoordelijkheid om onze kennis ten dienste te stellen van de maatschappij. En belangrijker nog, de dienst die we de samenleving kunnen bewijzen moet gebaseerd zijn op empirisch onderzoek. Ongefundeerde meningen zijn er al genoeg.’

Reageren op het belang van Jaap Dronkers voor Nederland? Welkom! Vul hieronder aan.

Foto: Dieter Telemans/HH.

 

Dit artikel is 2004 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. De deze week overleden Prof. Jaap Dronkers liet zich kritisch uit over de egalitaire ideologie van veel van zijn vakgenoten-sociologen.
    Dronkers publiceerde op 8 maart 2014 de opiniebijdrage ‘Intelligentie en schoolprestaties: primaire en secundaire effecten van ouderlijk milieu’ op de blog stukroodvlees (zie Internet voor de volledige bijdrage en voor de verwijzingen en tabellen). Dronkers verduidelijkte in die bijdrage dat de sociologen zelf aanleiding gaven tot de kritiek dat ze ervan uitgaan dat ouderlijk milieu en intelligentie niet samenhangen en dat ze al te vlug stellige uitspraken doen over SES-correlaties, sociale discriminatie en onderwijsstelsels – b.v. omtrent de vele zegeningen van een gemeenschappelijke lagere cyclus s.o. en van het werken met heterogene klassen.
    Dronkers bekritiseerde de egalitaire ideologie als volgt: “Vanaf de jaren zestig bestaat er al een taboe op verschillen in intelligentie en intellectuele aanleg. Er zijn ook nog steeds mensen die niet aannemen dat ‘momenteel’ de gemiddelde intelligentiescore van (autochtone) leerlingen uit de lagere klassen substantieel lager is dan die van kinderen in hogere klassen. Het onderwijsbeleid en de GOK-ideologie gaan ook nog altijd uit van dat vele ontginbare talent uit de lagere klassen.”
    In het belangrijkste deel van zijn analyse vraagt Dronkers zich af waar de kritiek op de sociologen vandaan komt. Zijn belangrijkste stelling luidt: “Het modieuze radicalisme van de tweede helft van de 20ste eeuw zag ‘de structuur’ of ‘de maatschappij’ als dé oorzaak van bijna alle individuele verschillen tussen individuen. Binnen de sociologie en aanpalende disciplines werd het als politiek incorrect gezien om die individuele verschillen (b.v. leerprestaties, crimineel gedrag…) los hiervan te analyseren.” De structuur van de maatschappij en van het onderwijs – en vooral de sociale discriminatie – waren de oorzaken van het feit dat minder (hand)arbeiderskinderen participeerden aan het aso, enz.
    Volgens Dronkers bleek het afwijzen van de invloed van de erfelijke aanleg en intelligentie en het milieudeterminisme “bijvoorbeeld uit het tumult rondom het boek The Bell Curve van Herrnstein en Murray, uit de grofheid van de aanvallen van sociologen op deze personen. (Dit boek wees o.a. op de grote invloed van de erfelijke aanleg op het IQ.) Dit tumult maakte onderwijssociologen terughoudend om met hun analyses naar de relaties tussen ouderlijk milieu en intelligentie naar buiten te komen. Mijn heranalyse van het boek The Bell Curve met superieure Nederlandse data werd gepubliceerd in het psychologen-tijdschrift Psychologie en Maatschappij (87:152-165), buiten het zicht van medesociologen en buitenstaanders… De nasleep van het modieuze radicalisme in de sociologie duurde lang en is nog steeds niet geheel verdwenen. Zo wordt intelligentie in de belangrijkste Nederlandse datasets die sociologen gebruiken niet gemeten, in tegenstelling tot het behaald opleidingsniveau. Het is dus niet vreemd dat buitenstaanders denken dat onderwijssociologen intelligentieverschillen onbelangrijk vinden.”
    Elders betreurt Dronkers “dat er ook nog steeds veel mensen en sociologen zijn die niet aannemen dat ‘momenteel’ de gemiddelde intelligentiescore van autochtone leerlingen uit de lagere klassen substantieel lager is dan die van kinderen in hogere klassen.” Als de relatie tussen de intellectuele aanleg van de leerlingen en het scholingsniveau & de beroepspositie van de ouders vrij groot is, dan kan men de correlatie tussen de schoolprestaties en het ouderlijk milieu niet zomaar toeschrijven aan het feit dat leerlingen uit lagere milieus minder onderwijskansen krijgen.
    Dronkers betreurt verder dat veel sociologen zich aansloten/aansluiten bij de dubieuze visie van de bekende Franse socioloog Pierre Bourdieu. Dronkers: “De Franse socioloog Pierre Bourdieu introduceerde het al dan niet bezitten van het juiste culturele kapitaal als een belangrijke verklaring van de relatie tussen ouderlijk milieu en onderwijsprestaties, naast financieel en sociaal kapitaal. … Dit begrip werd al snel een panacee voor veel sociologen om alle onderwijsongelijkheid mee te verklaren. Daarmee verdwenen andere verklaringen, zoals de relatie tussen ouderlijk milieu en intelligentie, uit het zicht.”
    Dronkers wijst er vervolgens op dat op basis van de PISA-data vaak dubieuze vergelijkingen tussen landen worden gemaakt. Hij stelt o.a. : “Sinds 2000 zijn cross-nationale data beschikbaar gekomen, die meer bruikbaar zijn om effecten van onderwijsstelsels te meten dan nationale longitudinale datasets. De bekendste zijn de PISA-data. Het grote bezwaar van deze cross-nationale data is echter dat ze een momentopname vormen en dat een aantal politiek gevoelige kenmerken, waaronder (invloed van ) intelligentie en religie, niet worden gemeten. Daardoor verdwijnt in de analyses het onderscheid tussen het primaire, secundaire en tertiaire effect van ouderlijk milieu en lijken alle onderwijsverschillen verklaard te worden door ouderlijk milieu en onderwijsstelsels. De politieke afhankelijkheid bij cross-nationale data leidt ook tot foute schattingen van de relaties tussen ouderlijk milieu en taal- en rekenvaardigheden in OESO-landen.’ De officiële PISA-rapporten en sociologische analyses houden veelal geen rekening met de grote verschillen in achtergrondskenmerken van de leerlingen, in de samenstelling van de leerlingenpopulatie.
    Dronkers wijst er vervolgens nog op dat in de officiële PISA-vergelijkingen er ook geen rekening gehouden wordt met de enorme verschillen tussen de allochtone leerlingen. Dronkers: “De officiële PISA-publicaties behandelen alle migranten als een homogene groep. Er wordt geen rekening gehouden met de herkomstlanden van migrantenleerlingen en van hun ouders. Minder politiek correct onderzoek met deze PISA-data laat zien dat verschillen in herkomstlanden belangrijker zijn voor de verklaring van onderwijsprestaties van migrantenleerlingen dan verschillen in bestemmingslanden. (Dronkers verwijst naar eigen onderzoek.) Ook blijken onderwijsstelsels voor migrantenleerlingen andere gevolgen te hebben dan voor autochtone leerlingen. Hierdoor verschillen de relaties tussen ouderlijk milieu en taalvaardigheid van 15-jarige leerlingen nogal tussen autochtone en allochtone leerlingen in de verschillende OESO- landen. In sommige landen is die relatie voor autochtone leerlingen zwakker dan voor allochtone leerlingen (Zweden, Noorwegen, Italië, Catalonië), terwijl het in andere landen (Wallonië, Frankrijk, Israel, Engeland, Duitsland, Verenigde Staten, Nederland) precies andersom is: daar is de relatie tussen ouderlijk milieu en taalvaardigheid voor autochtone leerlingen juist sterker dan voor allochtone leerlingen.
    Dronkers: “Dit verschil kan komen omdat in het eerste geval de migranten in dat land erg heterogeen zijn in sociaal-economisch opzicht en/of hun land van herkomst, terwijl in het tweede geval de migranten juist meer homogeen zijn. Ook komt het voor dat de relatie tussen ouderlijk milieu en taalvaardigheid voor alle leerlingen hoger is dan de afzonderlijke relaties voor de autochtone en allochtone leerlingen (Oostenrijk, Luxemburg, Vlaanderen). Dat laatste kan komen doordat allochtone leerlingen in dat land een erg laag ouderlijk milieu hebben of veel afkomstig zijn uit herkomstlanden met lage onderwijsprestaties.”
    In de inleiding van zijn blogbijdrage sluit Dronkers zich aan bij het belangrijk onderscheid dat Raymond Boudon destijds maakte tussen primaire en secundaire effecten van ouderlijk milieu en hij betreurt dat tal van sociologen dat niet doen. Dronkers: “Het primair effect van ouderlijk milieu is de samenhang tussen jeugdige intelligentie (of schoolgeschiktheid) en ouderlijk milieu (opleiding, beroep, inkomen). Het secundair effect is de samenhang tussen de keuze voor een hoge stroom binnen het onderwijs en ouderlijk milieu, bij gelijke intelligentie. In gestratificeerde onderwijsstelsels zoals het Nederlandse is deze hoge stroom het vwo (= ons aso); in middenschoolstelsels zoals het Zweedse is dit de academische klas of differentiatie.” (NvdR: Zweden kent in de gemeenschappelijke lagere cyclus geen gedifferentieerde opties, maar werkt wel met niveaugroepen en niveauklassen.)
    Dronkers en Boudon stellen dat een aantal sociologen b.v. geen rekening houden met de samenhang tussen intelligentie (of schoolgeschiktheid) en b.v. opleidingsniveau van de ouders, met primaire effecten/oorzaken die niets te maken hebben met het schoolsysteem. De correlatie met de SES van de leerlingen wordt vaak zomaar geïnterpreteerd als een vorm van sociale discriminatie. En dat b.v. meer leerlingen van hoger geschoolde/getalenteerde ouders op 12 jaar meer kiezen voor de opties Latijn of Moderne Wetenschappen schrijft men veel te vlug op naam van ongelijkheid of sociale discriminatie, niettegenstaande dit grotendeels een gevolg is van hogere intelligentie/schoolgeschiktheid.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *