Antipest-aanpak kan niet zonder oog voor homo-intolerantie

Nederland heet homotolerant te zijn, maar toch komen zelfmoordpogingen onder jonge homo’s vaker voor dan onder heterojongeren. Een ‘holebi-vriendelijke’ omgeving begint met een aanpak op school, maar dat is toekomstmuziek. Veel jongeren durven op school niet aan te kloppen voor hulp.

Pesterijen en andere negatieve reacties op school zorgen voor een flinke deuk in het welbevinden van homo-, biseksuele en lesbische jongeren (zogenoemde ‘holebi- jongeren’) en doen de kans op een zelfmoordpoging onder hen toenemen, zo liet het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in 2010 al zien. Zelfmoordgedachten en zelfmoordpogingen onder Nederlandse holebi-jongeren komen vaker voor dan onder heteroseksuele jeugd. Terwijl onder de volwassen Nederlandse bevolking slechts een kleine minderheid homo-intolerant is, ligt dit onder jongeren lastiger.

Waar gaat het nu precies mis in de acceptatie van holebi-jongeren, waardoor zelfmoord voor sommigen van de enige uitweg lijkt? In een recente studie onder 274 Nederlandse holebi-jongeren, die onlangs verscheen in the American Journal of Public Health, zochten we uit of dit te maken had met stigmatisering door ouders, medescholieren, familie, of voorbijgangers (in de openbare ruimte).

Gepest op school of afgewezen thuis: zelfmoord lijkt soms de enige uitweg voor homojongeren

Uit deze recente studie blijkt dat er vooral op de middelbare school en in sommige gezinnen nog een wereld te winnen is ten aanzien van het actief bevorderen van acceptatie van seksuele en genderdiversiteit. Van de vier bestudeerde contexten zijn negatieve reacties over de seksuele voorkeur op school de belangrijkste voorspeller van zelfmoordgedachten en zelfmoordpogingen onder holebi-jongeren. Afwijzing van de seksuele voorkeur door ouders staat op de tweede plaats. Het SCP (2010) tekende ook enkele uitspraken op van jongeren die vaak mikpunt waren geweest van pesterijen over hun voorkeur: ‘Mijn vader zei dat ik op moest houden zo meisjesachtig te zijn’, aldus een biseksuele jongen van 16 jaar. Een door zijn medescholieren veelvuldig gepeste homojongen vertelde: ‘Ik stop ermee, ik wil niet de rest van mijn leven vernederd worden.’ De stigma’s onder jongeren kunnen het leven voor sommige jongeren met homo, lesbische en bi-seksuele gevoelens uitzichtloos maken. Met een mogelijke doodwens als gevolg.

Naar holebi-vriendelijkheid in de dagelijkse omgeving op school

Deze bevindingen vragen om een vertaling naar een beleid met positieve effecten op de holebi-vriendelijkheid in de dagelijkse omgeving van jongeren: de scholen en hun zorgstructuur. Er is nu een wettelijke maatregel die scholen verplicht seksuele voorkeur en genderdiversiteit te bespreken, maar het is uiteindelijk aan scholen om de handschoen op te pakken en aan de slag te gaan om zelfmoord onder holebijongeren te voorkomen. Levens van kinderen en jongeren staan immers op het spel.

Pesten op basis van (vermeende) seksuele en genderdiversiteit zou een prominente rol moeten krijgen in de anti-pest-aanpak van scholen. Zo’n aanpak lijkt nog ver van de werkelijkheid. ‘Pesten kan iedereen overkomen’, is vaak de gedachte. Echter, leerlingen die beduidend meer risico lopen om slachtoffer te worden, verdienen extra aandacht. Daarom moet ingezet worden op veranderingen in de houding en het gedrag van álle jongeren ten aanzien van lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders, en op begrip ten aanzien van sekse niet-conform gedrag. Het werken met bewezen effectieve interventies is wenselijk, want persoonlijke interventies kunnen soms geheel anders uitpakken dan verwacht. Bijvoorbeeld: dat ‘holebipesten’ juist ‘cool’ wordt omdat een niet populaire docent het heeft afgekeurd. Het SCP voert daarom momenteel een studie uit waarin bij ruim honderd scholen wordt gemeten of maatregelen die ze nemen op het gebied van seksuele diversiteit bijdragen aan een positievere houding van leerlingen ten aanzien van homo- en biseksualiteit.

Leerlingenzorg: oog krijgen voor diversiteit

Toch zal niet altijd voorkomen kunnen worden dat leerlingen gepest worden omdat ze ‘te mannelijk’ of juist ‘te vrouwelijk’ worden gevonden, of gezien worden als ‘pot’, ‘flikker’ of ‘vieze bi’. Wanneer dat gebeurt is het belangrijk dat de school tijdig en adequaat de leerling ondersteunt en duidelijk maakt dat homo, lesbisch, bi of transgender zijn niet iets is om je voor te schamen. Een voorwaarde hiervoor is dat hulpverleners in en om de school – denk bijvoorbeeld aan leerlingenbegeleiders en schoolmaatschappelijk werkers – oog krijgen voor seksuele en genderdiversiteit. Dit is momenteel geen thema in de opleidingen en veel hulpverleners merken op dat ze nauwelijks holebi- en transgenderleerlingen zien.

Veel holebi- en transgenderjongeren durven niet aan te kloppen voor hulp op school. Ze zijn bang dat een hulpverlener het doorvertelt, hen uit de kast duwt naar ouders of medeleerlingen, hen veroordeelt of simpelweg niet begrijpt. Wanneer holebileerlingen wel om hulp vragen vertellen ze vaak niets over hun seksuele voorkeur of genderidentiteit. En vragen aan een meisje of ‘zij een vriendje heeft’ kan ertoe leiden dat zij dicht klapt als zij een vriendin heeft. Aandacht voor verschillen in seksuele en genderdiversiteit en hoe hier mee om te gaan in de opleidingen en in de nascholing is daarom onontbeerlijk voor een veilig schoolklimaat waarin alle jongeren zichzelf mogen zijn.

Diana van Bergen (Universiteit Groningen), Hanneke Felten (MOVISIE), Henny Bos (Universiteit van Amsterdam), en Judith Schuyf (MOVISIE).

Aan dit artikel werkten ook mee: Jantine van Lisdonk (SCP), Saskia Keuzenkamp (MOVISIE), Maurits Boote (MOVISIE) en Theo Sandfort (Columbia University).

 

Literatuurverwijzingen

Van Bergen, D.D. van, Bos, H.M.W., Lisdonk, J. van, Keuzenkamp, S. & Sandfort, T.G.M. (2013). Victimization and suicidality among Dutch lesbian, gay and bisexual youths. American Journal of Public Health, 103(1), 70-72.

Van Bergen, D. en Van Lisdonk. J. (2010). Acceptatie en negatieve ervaringen van homojongeren. in S. Keuzenkamp (red) Steeds Gewoner, Nooit Gewoon. Acceptatie van homoseksualiteit in Nederland. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau:154-173

Felten, H. & Schuyf, J. (2011) Zoenen is gevaarlijk. Geweld tegen LesBische vrouwen. Utrecht: MOVISIE

Felten, H. Boote M. en Schuyf, J. (2012) Ik wou dat ik dood was. 10 vragen van professionals over suïcidepreventie onder lesbische-, homo-, bi- en transgenderjongeren. MOVISIE: Utrecht.

 

 

Reacties op dit artikel (1)

  1. Klinkt mij als (homoseksuele) docent allemaal bekend in de oren. Wat ik nog teveel in het verhaal mis is de school zelf; directieleden en de leraren/docenten. Als als het al gaat om seksuele diversiteit dan wordt al snel de eigen verantwoordelijkheid hiervoor bij de docent(en) gelegd die niet heteroseksueel zijn. ‘Zij wij er vanaf’, zich onvoldoende realiserend dat seksuele diversiteit alles te maken heeft met ‘anders mogen en kunnen zijn’. Dat klimaat creëren om ‘anders te kunnen en mogen zijn’ is ook, en misschien wel vooral, de taak van elke heteroseksuele docent en directielid in het dagelijkse contact met zijn/haar leerlingen/studenten. Daar valt mijns inziens nog een wereld te winnen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *