Bakfietsburgers en gebrekkige solidariteit

Burgers krijgen van overheden een actieve rol in de maatschappij toebedeeld. Dat is prima, zolang de burger doet wat de overheid wil. Maar dat kan niet iedereen. In het gebied tussen ideologie en realiteit is een bufferende en bemiddelende rol weggelegd voor de professional.

De ommekeer. In 2011 schreef het damesblad ‘Linda’ dat het woord burgerlijk bij de meeste van haar lezeressen geen negatieve associaties meer opriep. Lezeressen maakten wel een onderscheid tussen (fout) ‘oud-burgerlijk’ (man en vrouw dragen zelfde sweater, meubelboulevard) en (goed) ‘nieuw-burgerlijk’ (bakfiets, prosecco drinken met vriendinnen). Burgerlijkheid, zo ontdekte Linda, staat niet meer voor het bekrompen denken van met aardappels en calvépindakaas gewapende Alicante-gangers in trainingspak, maar voor een nieuwe stedelijke levensstijl. De herwaardering van burgerlijkheid gaat hand in hand met de wederopstanding van de burger. Wie vroeger het woord burger verafschuwde, omdat het zo deed denken aan burgerlijkheid, daar zijn de nieuw-burgerlijke ‘bakfietsers’, nu trotse, actieve burgers.

Burgers zijn de Haarlemmerolie van de participatiesamenleving. Overheden, met hun afnemende budgetten en liberale bestuursfilosofieën, geven taken uit handen en dragen verantwoordelijkheden over aan burgers. Of die burgers daar ook op zit te wachten, is vaak nog maar de vraag. “Burger gezocht” zou de boventitel kunnen zijn van de tientallen speeches die wethouders in het land dagelijks uitspreken waarin ze proberen om voorzieningen als buurthuizen, en groen in de wijk, over te dragen aan hun inwoners. En niet alleen overheden zetten hun geld op de burger, ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en opiniemakers zoals Jos van der Lans & Nico de Boer (o.a. in dit weekblad) pleiten al jaren voor het overdragen van verantwoordelijkheden aan burgers en hen de ruimte te laten om ‘het’ zelf te doen.

‘De burger’ is intelligent, verantwoordelijk en capabel

De term burger wordt in deze context steevast positief gebruikt, nooit wordt ‘de burger’ geproblematiseerd. De burger roept associaties op met die andere menssoorten die altijd gelijk hebben: de kiezer en de klant. Burgers zijn intelligente, verantwoordelijke en capabele mensen, die met een positieve attitude en vol gezonde gemeenschapszin werken en samenleven. Wie vraagtekens plaatst bij de vraag of dat soort mensen wel in grote getalen voorhanden is – zijn Henk en Ingrid, waarmee de PVV campagne voerde, ook burgers? - wordt al snel beschuldigd van ‘oud-denken’ of –nog erger – een neerbuigende ‘top-down’-houding.

En toch is er wel een aantal goede redenen om vraagtekens te zetten bij de burger-hausse. Zij creëert een wel erg scherpe, en kunstmatige, tegenstelling tussen burgers-als-vrijwilligers (goed) en professionals (fout); zij sluit vooral aan bij bepaalde, hoogopgeleide en mondige burgers die vaak in homogene wijken wonen: de burgertrend heeft veel te weinig oog voor diversiteit en verdeeldheid onder burgers.

Burgers worden niet vanzelf ‘actieve burgers’

In een veelbesproken monografie uit 2002 beschreef Herman van Gunsteren burgerschap als een opdracht. Hij wilde zo positieve inhoud te geven aan een begrip dat synoniem leek te zijn geworden met het opkomen voor eigen belangen en zienswijzen van de naoorlogse generatie (de al te mondige en calculerende burgers). Burgers zijn volgens van Gunsteren mensen die niet alleen rechten hebben, we mogen ook het een en ander van ze verwachten. Misschien dat het vervullen van militaire plichten achterhaald is, maar je mag wel vragen van de burger dat hij inspanningen verricht die bijdragen aan collectieve belangen en goederen. Het invoeren van een sociale dienstplicht lijkt bijvoorbeeld niet in strijd met de zienswijze van Van Gunsteren.

Wat vooral beklijft van dit betoog is de gedachte dat burgers niet spontaan ontstaan maar moeten worden opgevoed (om niet te zeggen gecreëerd). Burgers zijn, om met Menno Hurenkamp en Evelien Tonkens te spreken, niet ‘onbevlekt’. Mensen worden niet als ‘actieve burgers’ geboren maar worden zo ‘gemaakt’ (of niet), afhankelijk van de groep(en) waarin ze opgroeien, de instituties waarmee ze maken krijgen en de ervaringen die ze opdoen in de alledaagse omgang met anderen. Daarnaast zijn burgers ook ‘producenten’ van die alledaagse omgeving. Mensen willen zich ook graag de (co-)producent van hun omgeving voelen, pas dan ervaren zij hun leefwereld als thuis.

Maar wie is die burger eigenlijk?

Die ervaring van thuis, als een ‘plek’ waar iemand zelf greep op heeft, hoeft niet in de ruimtelijke nabijheid te worden opgedaan. Die plekken kunnen varieren van Facebook-profiel tot moes- of kantoortuin. Met andere woorden: mensen verschillen niet alleen in hun vaardigheden en behoeften om ‘actief burger’ te zijn, waar ze dat willen zijn, loopt ook sterk uiteen. De rijksoverheid die de burger vraagt om bij te dragen aan de zorg voor naasten, de gemeenten die burgers vragen om de zorg voor groenvoorzieningen en buurthuizen over te nemen, en de pleitbezorgers van ‘vertrouwen in de burger’, gaan uit van ‘nabijheidsdenken’: fysieke nabijheid zou sociale nabijheid met zich (moeten) meebrengen. Dat is echter zeer de vraag. In een hypermobiele samenleving onderhouden steeds meer burgers contacten en emotionele banden met mensen ver weg. Bovendien leiden mobiliteit en migratie tot zeer gemengde wijken in Nederland, niet direct een context waarin mensen sterke bindingen in hun directe omgeving omgaan. Politici zouden zich veel serieuzer de vraag moeten stellen: ‘wie zijn die burgers op wie wij een beroep doen en hoe, in welke hoedanigheid, spreken we hen aan?’ En wetenschappers en journalisten zouden zich wel wat kritischer mogen opstellen ten opzichte van de ideologische lading die het antwoord op die vragen al snel krijgt. Naar welke burger is de overheid op zoek? En, minstens zo belangrijk: wat heeft de overheid bij die burgers te zoeken?

In een artikel uit 2013 beschrijft de Italiaanse wetenschapper Simona Millo diverse ruimtelijke projecten in Europese steden waarin burgers door de overheid worden uitgenodigd om gebieden te co-produceren. In feite, stelt zij, is co-productie in de meeste gevallen niets anders dan een nieuwe machtstechniek (technicality). De burger mag meedoen, zolang hij binnen de lijntjes kleurt, en hij kleurt binnen de lijntjes omdat de overheid steeds verder achter de voordeur binnendringt en daar zelfs het denken van mensen over de toekomst van hun stad weet te beheersen. Burgers zijn in deze voorstelling geen vrijdenkende, creatieve mensen, maar marionetten waarvan gedrag en denkwijze door de overheid worden beheerst. Co-produceren betekent dan dat burgers op daartoe aangewezen plekken de kleur van een gevel mogen bepalen. Niet dat zij zich de vraag mogen stellen of op die plek wel een gebouw hoort.

De overheid stelt de norm voor wat de burger zou moeten doen

Hetzelfde paternalisme zien we in de zorg terug als het gaat om de vraag wat burgers in de ogen van de overheid voor elkaar moeten doen. De overheid definieert jaarlijks wat ‘gebruikelijke zorg’ is: zorg die mensen verondersteld worden aan elkaar te verlenen voordat zij een beroep mogen doen op publiek gefinancierde zorg. De term ‘gebruikelijke zorg’ suggereert dat sprake is van een maatstaf die bepaald wordt door wat gangbaar is in de samenleving: “wat Nederlanders voor elkaar doen”. In werkelijkheid beslist de overheid echter over wat de ‘normaalnorm’ is. In tijden van bezuiniging rekt de overheid de norm voor gebruikelijke zorg verder op: we worden geacht steeds meer voor elkaar te doen. De norm is dus niet ‘spiegelend’, integendeel de overheid loopt voorop. Zij stelt de norm voor gebruikelijke zorg vast en wij moeten als ‘gehoorzame burgers’ daaraan voldoen. Bovendien wordt de norm steeds omvattender en gedetailleerder: had de overheid een paar jaar geleden nog genoeg aan 800 woorden om die norm te beschrijven, in de laatste omschrijving heeft ze meer dan 2500 woorden nodig!

Deze waarnemingen werpen een ander licht op het ‘doe-het-zelf-en-paricipatie-hosanna’ van veel overheden. Dat ‘doe-het-zelven’ is blijkbaar alleen gewenst op daartoe aangewezen plekken en de overheid bepaalt grotendeels wat we daar met en voor elkaar moeten doen. Bovendien wordt de vraag of burgers succesvol actief zijn pas met ja beantwoord als burgers hetzelfde creëren als wat voorheen door professionals werd gedaan. Burgers ‘mogen’ bijvoorbeeld binnenkort in Amsterdam projecten uit de buurtbegroting uitvoeren. Ze ‘mogen’ het beheer van sociale voorzieningen overnemen. Zolang de uitkomst maar langs de meetlat van de beleidsdoelen van minister of wethouder kan worden gelegd, heet het een succes te zijn. Zo horen buurtondernemingen vooral groepsactiviteiten voor jeugd en bejaarden te organiseren. Burgers die het buurthuis als goedkope kroeg met asbakken op tafel inrichten, van een speeltuin een hondenuitlaatplek maken of het zorgbudget aanwenden voor Thaise massages worden al snel als asociaal aangemerkt. En burgers die het buurthuis voor religieuze bijeenkomsten willen gebruiken, de groene zone als seksuele ontmoetingsplaats willen inrichten en van het zorgbudget een alternatieve geneespraktijk beginnen, vormen al snel een bedreiging voor ‘de gemeenschap’. De overheid bepaalt welke activiteiten ‘passend’ zijn.

Een kloof tussen de bestuurlijke wens en de burgerlijke realiteit

Een project waar bestuurlijke wens en burgerlijke realiteit minder ‘passend’ waren, is buurtmunt ‘Makkie’. Doel van het project was om bewoners een aantal buurtmunten te geven die ze konden vermeerderen door klussen te doen, zoals het helpen van een gehandicapte buurman, voorlezen van kinderen met een taalachterstand of het schoonmaken van het gemeenschappelijke trappenhuis. In de praktijk bleek het echter nauwelijks mogelijk om interessante verzilverpunten (omwisselgelegenheden) voor de munt te creëren. Makkies konden bijvoorbeeld worden ingeruild voor sporten bij vrouwen sportief, schaaklessen voor kinderen, huiswerkbegeleiding, gratis toegang tot de schaatsbaan etc. Tijdens een avond die we als waarnemer bezochten, bleek dat de professionals ermee worstelden dat ze nu makkies moesten vragen voor zaken die ze toch al (bijna) gratis aanboden en dat het handjevol aanwezige makkie-gebruikers niet wist hoe ze de munt tot een interessant buurtbetaalmiddel konden maken. Onze suggestie om de makkie ook in te zetten voor: korting op een vliegreis naar Turkije, of een bezoek aan de beautysalon, bleek niet goed te passen bij het project. Het doel was vooral dat de makkie-verdiener nadat hij het trappenhuis had schoongemaakt, boodschappen had gedaan voor zijn gehandicapte buurman en kinderen met een taalachterstand had voorgelezen, zijn makkies inwisselde voor korting op museumbezoek, en daarna nog een verantwoorde yogasessie bij Buurtfit. Met andere woorden: eerst draagt de makkie-gebruiker bij aan de verwezenlijking van de sociale beleidsdoelen in zijn buurt om zich daarna te voegen naar de culture en leefstijldoelstellingen die de gemeente zich gesteld heeft. Dit alles onder het motto ‘burgers-doen-het-zelf’.

In feite heeft de overheid geen oog voor de grote variatie onder burgers. Van actieve burgers wordt verwacht dat zij blij en vrolijk meedoen met activiteiten die de overheid voor hen geschikt acht: ze moeten hun al te particuliere identiteiten afleggen, zodat ze met hun buurtgenoten ‘gezellig’ kunnen werken aan ‘sociale cohesie’. Wie van burgers onbevlekte marionetten maakt die niets liever willen dan ‘zelf’ doen wat de overheid van hen vraagt, lijkt geen professionals meer nodig te hebben. Die zijn dan maar een sta-in-de-weg. Wie burgers echter ziet als ‘volle persoonlijkheden’ die hun omgeving willen vormgeven en daarbij hun cultuur, hun overtuigingen en hun emoties meenemen, ziet professionals als noodzakelijke mediators tussen individuele belangen en groepsbelangen, tussen individuele ervaringen en collectieve ambities.

De kapitaalkrachtige ‘nieuwe burgerlijken’ passen goed in het ideaalbeeld

Terug naar de prosecco-drinkende, bakfietsende burgers van het tijdschrift Linda. Deze ‘nieuwe burgerlijken’ willen graag de kans krijgen om hun eigen huis te bouwen, zonder dat de gemeente welstandseisen oplegt. Ze willen de kans krijgen om de zorg voor hun zieke ouders zelf te organiseren, ze willen met een aantal ouders een school beginnen waar naschoolse opvang wordt georganiseerd. Ze beginnen een energiecoöperatie. Deze ‘nieuwe burgerlijken’ eisen ruimte op om meer zelf te doen en krijgen die ook. Dit zijn, bij benadering, de burgers die de overheid in zijn hoofd heeft wanneer hij nadenkt over de overheveling van verantwoordelijkheden. Onder verwijzing naar deze ‘bakfietsende actieve burger’ wordt op dit moment de grootste ambtelijke reorganisatie voltrokken die we ooit hebben meegemaakt en worden duizenden professionals in de zorg ontslagen. Afnemende budgetten spelen daarbij zeker een rol, maar het is vooral het geloof in het verhaal dat het beter is als mensen ‘het’ zelf doen, die deze golf van aversie tegen professionals verklaart.

Tegenover de nieuwe burgerlijken wonen natuurlijk degenen die geen prosecco drinken, die geen bakfiets hebben en die niet in een zelfbouwwoning wonen. Hen speelt niet alleen parten dat ze minder kapitaalkrachtig zijn, maar ook dat ze minder ‘cultureel en bureaucratisch geletterd’ zijn. Een onderzoek van het SEV (inmiddels opgegaan in Platform31) beschreef dat inwoners van een wijk in Delft niet begrepen dat de gezellige buurtdag voor kinderen en planten, in feite een startdag was om ‘het groen’ in handen te geven van de buurt. Daar hadden de bewoners niet alleen niet op gerekend, ze hadden er ook weinig zin in, al was het maar omdat ze dringender zaken aan hun hoofd hadden. De overheid had echter bedacht dat ‘het’ beter was voor ‘de’ buurt om voortaan zelf de groenvoorziening te beheren.

Hoe moet het dan wel? De rol van de professional

In Delft hadden professionals moeten beginnen met de vraag: ‘welke publieke voorziening zouden welke bewoners eventueel willen overnemen en om welke redenen?’ In het Makkie-project hadden professionals zich de vraag moeten stellen ‘welke verzilvermogelijkheden zouden de munt voor de buurt en haar bewoners mogelijk interessant maken’? De professional als bemiddelaar helpt mensen om hun weg te vinden, naar elkaar, naar allerhande organisaties, en soms naar de overheid die hen, als het goed is, helpt om hun eigen doelen te verwezenlijken (in plaats van dat burgers door de overheid gedefinieerde taken braaf uitvoeren). Het is eigenlijk heel ironisch: de overheid heeft nog nooit zoveel vertrouwen gehad in burgers die doen wat de overheid wil.

Dat moet dus anders. Professionals moeten geen slaafse uitvoerders zijn van overheidsbeleid – een groot risico dat opdoemt nu met de decentralisatie de greep van de lokale overheid op middenveldorganisaties verder toeneemt. Professionals moeten juist bemiddelen tussen burgers (met hun uiteenlopende wensen, belangen, emoties en ervaringen) en bufferen tussen overheid en burgers. En professionals zouden daarnaast nog meer moeten zijn dan intermediair en buffer. Er zijn honderdduizenden Nederlanders die niet zozeer behoefte hebben aan een intermediair maar aan directe zorg omdat zij niet (volledig) op eigen benen kunnen staan.

Burgers die niet meedoen zijn niet per se lui

Bij hen wringt de burger-hausse zich nog het meest. Onder het vrolijke mom van ‘eigen kracht’ moeten zij zichzelf voortaan zelfstandig zien te redden: geen dagbesteding meer, veel minder begeleiding, met als resultaat: veel meer eenzaamheid. Politici die suggereren dat deze mensen in hun ‘eigen kring’ op zoek moeten naar meer sociale contacten, hebben geen idee hoe ‘dun’ die contacten gezaaid zijn en hoe belangrijk professionals zijn voor enige amicaliteit. Zijn zien burgerschap als de keuze om datgene te doen wat overheid en omgeving van je verwachten, en verklaren degenen die dat niet doen tot profiteurs.

Luie mensen die zich afhankelijk opstellen van de overheid zijn wij in onze onderzoeken echter nauwelijks tegengekomen. De meeste mensen schamen zich ervoor om afhankelijk te zijn van een uitkering en hebben zich het verhaal dat zij veel meer zelf moeten doen, allang eigen gemaakt. Sterker nog, de meesten durven nauwelijks meer om hulp te vragen. In die situatie hameren op hun ‘eigen kracht’ is pijnlijk: het vergroot hun ‘vraagverlegenheid’ en daarmee hun isolement. Vaak kunnen hulpbehoevende mensen namelijk niet goed voor zichzelf zorgen en weten niet hoe ze de dag door moeten komen, terwijl ze geen zorg van hun kinderen of naasten –als die er al zijn- kunnen of willen vragen. Ze zijn dolblij met de dagelijkse contacten met de thuiszorg en met andere professionals die naar hen omkijken. Wie dat afschaft onder het mom van ‘eigen kracht’ laadt een enorme verantwoordelijkheid op zich voor vereenzaming.

Het ‘eigen kracht’ verhaal is niet voor iedereen geschikt

Het eigen kracht-idioom is daarom te ideologisch geladen en wekt ten onrechte de indruk dat die kracht in ieders omgeving ruimschoots voorhanden is en alleen maar hoeft te worden aangeboord. Bij mensen die oud en eenzaam zijn en bij mensen die een opeenstapeling ervaren van sociale problemen, is het ‘eigen kracht’-verhaal ongepast. Het punt is nu juist dat zij ofwel een heel zwak sociaal netwerk hebben, ofwel dat ze in een veel te sterk, beklemmend netwerk vastzitten waar ze nodig uit moeten, omdat het deprimerend, eenkennig, gewelddadig of anderzins belemmerend is.

De bakfietsburger heeft een sterk netwerk – met daarin opvallend weinig zwakke burgers. Het zou mooi zijn als die bakfietsburgers meer zouden omkijken naar burgers die het minder voor de wind gaat maar het kenmerk van sterke netwerken is nu eenmaal dat die relatief homogeen van karakter zijn. Daarom zijn nu juist de sociale professionals ‘uitgevonden’: zij bieden aan mensen die het minder hebben getroffen de bescherming en de steun die ze nodig hebben, en dat op kosten van degenen die het in het leven goed gaat. Die vorm van solidariteit staat sterk onder druk als burgerschap de plicht met zich meebrengt om zo min mogelijk beroep te doen op sociale voorzieningen. De bakfietsburgers beginnen met enthousiaste en capabele soortgenoten hun eigen voorzieningen en zijn enthousiast zijn over het ‘eigen kracht-denken’, dat is toch ook wat zij zelf doen? Maar als de middenklasse zichzelf als maatstaf neemt, verblindt dat voor de noden van degenen die het minder hebben getroffen. Laat bakfietsburgers dus vooral hun eigen initiatieven ontplooien, maar veroordeel degenen die afhankelijk zijn van professionele hulp en zorg niet tot de toevallige en wisselende aanwezigheid van vrijwilligers en mantelzorgers. Do it Yourself is een leuk motto voor hen die dat kunnen – maar niet als je je aan je eigen haren uit het moeras moet trekken.

Menno van der Veen is filosoof en jurist en werkt bij Tertium, Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.
Dit artikel verscheen op 17 juli in De Groene Amsterdammer.

 

 

 

 

Dit artikel is 1107 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. De bakfiets als metafoor zegt genoeg over de schrijvers. Ze hebben Amsterdam als meetlat van de burgerschapswereld genomen. Niet beseffend dat er buiten deze stad volop burgerschap gaande is, waar bloemetjesjurken, bakfietsen, proseccodrinkers, trainingspakken, cakecupbakkers en VI-lezers samen buurttuinen doen, samen aandacht en zorg hebben voor elkaar, samen sporten, samen voorzieningen runnen. Niet omdat het burgerschap heet of dat de overheid het wil, dat speelt geen enkele rol. Maar omdat ze het leuk vinden (herhaal: leuk vinden) die dingen met elkaar te doen.Ik was gisteren bij de opening van een buurttuin/theater/kabouterpad/sportveldje op een plek waar 3 maand geleden een oude garage stond is in de vakantie door burgers (en door burgers alleen) dit aangelegd. De zes trekkende bewoners: verpleegster, mosterdmaker, groenmedewerker, huisvrouw, werkzoekende somalische vluchteling, peuterspeelzaalmedewerker. De ernaast wonende slijter zorgde op de werkdagen voor bier, de bakker voor broodjes en koffie.
    Het idee dat er allemaal beleid achter zit en overheidssturing en slimmige trucs (technicality) is een overschatting van de invloed van de overheid en instanties. Voorbeelden als Makkies zijn marginale randprojecten in de doe-samenleving en zitten nog veel te veel in de systeemhoek die een brug wil slaan naar de leefwereld. Die leefwereld heeft geen Makkieprojecten nodig, die ruilt al met elkaar via gewone straatcontacten, dankzij jarenlange contacten op de sportvereniging, bij de kerk of op het schoolplein. En als het toch georganiseerd moet dan via Peerby, ThuisAfgehaald of gewoon Facebook.
    Ook dit mooie verhaal gaat weer veel te veel over de relatie burger-overheid/professionals en alle mismatches, vooroordelen, wensdenken en strategieën die die relatie met zich mee brengt bij burgerschap. De sturende betekenis van die relatie wordt zwaar overschat en krijgt veel te veel aandacht omdat de overheid en professionals zoekende zijn naar een rol. Echt die genoemde kloof tussen bestuurlijke wens en burgerlijke realiteit is een marginaal, amper bestaand rimpeltje in de wereld van burgers die al van alles doen. Het gaat primair om de relatie burger-burger, om nieuwe vormen van gemeenschapsvorming. Zoals die mensen die de buurttuin hebben gefikst in de vakantieperiode. Hoe hebben ze elkaar ontmoet, wat drijft ze, wat is hun winst, etc. Laten we eens een boek, een tekst, een artikel schrijven over burgerschap en doe-het-zelfdemocratie zonder dat we ons druk maken over de overheid, over zorgprofessionals, over leefbaarheidsmanagers of wethouders. Maar het hebben over burgers en burgers en burgers en de zelf-doe-democratie. Kan iemand dat nog?

  2. Nou Joop, dat valt wel mee hoor. Ook de auteurs signaleren dat mensen vrije wezens zijn, die zich dus onttrekken aan datgene wat de overheid voor hen bedacht heeft.
    Zij geven alleen meer aandacht aan het probleem dat de overheid daarmee heeft; het Makkies-project is een voorbeeld van een top-down denken bij overheden dat faalt als het gaat om burgerkracht. Ook ik kan deelnemen aan legio van dit soort projecten, waarbij ik telkens signaleer: jullie doelen zijn niet de mijne. En zonder geld houdt het dan snel op.
    Terecht signaleren de auteurs dat er ook minder krachtige burgers zijn, en dat juist aan hén zorg geboden moet worden, geredeneerd vanuit de overheidsdoelstellingen. De professionals die daarmee belast zijn,hebben nog steeds niet geleerd op welke manier ze daarvoor burgerkracht zouden kunnen gebruiken.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *