COLUMN De onzekerheid raakt ons allemaal

Wat hebben een uitkeringsgerechtigde en een ZZP’er in de creatieve industrie gemeen? En de manager van een kinderdagverblijf of een ambtenaar bij de gemeente met een vast contract? Ze hebben allemaal te maken met de nieuwe onzekerheid. Het is een fout te denken dat onzekerheid alleen een specifieke groep kwetsbaren raakt. Natuurlijk is kwetsbaarheid ongelijk verdeeld en staan we niet allemaal zomaar morgen op straat. De onzekerheid van de een is niet de onzekerheid van de ander. De nieuwe kwetsbaarheid raakt jongeren anders dan ouderen, mannen anders dan vrouwen. Bovendien is er een kleine groep superrijken die, zoals dat heet ‘financieel onafhankelijk’ is.

En toch: ook in vaste contracten is er geen garantie meer dat het werk hetzelfde blijft. We kunnen steeds minder vaak rekenen op vaste werkplekken, kunnen plotseling geacht worden ander werk te verrichten in dezelfde baan en worden vaker in competitie met elkaar gebracht. Kwetsbaarheid is daarom allang niet meer het probleem van een specifieke groep, maar van ons allemaal.

Het SCP en het precariaat

Het Sociaal en Cultureel Planbureau gebruikt sinds hun rapport ‘Verschil in Nederland’ van 2014 de term precariaat om een groep zeer kwetsbaren aan te duiden. Die (sindsdien steeds vaker gebruikte)  term komt voort uit protestbewegingen in Zuid-Europa en is een grote verbetering ten opzichte van de ‘flex’-taal die vaak gebruikt wordt. Het is een samenvoeging van ‘precair’ (kwetsbaar of, etymologisch: afhankelijk van giften) en ‘proletariaat’ (de arbeidende klasse). De dynamiek van uitbuiting en afhankelijkheid zit er daarom al in en dat is betekenisvoller dan ‘flexibel’.

Het SCP heeft in navolging van een groep Britse sociologen in Nederland zes groepen geïdentificeerd die verdacht veel op klassen lijken maar niet zo worden genoemd. Het precariaat is daarvan de laagste. Volgens het SCP is dat de groep met de laagste gemiddelde opleiding, het kleinste inkomen, de meeste huurwoningen, de zwaarste lichamen en de slechtste beheersing van het Engels. Als een deel van die criteria wat willekeurig overkomen: dat klopt, het SCP heeft geprobeerd om naar meer dan inkomen en opleidingsniveau te kijken en baseert zich daarom ook op indicatoren als de Body Mass Index om iets te zeggen over fysieke schoonheid en andere aspecten van klasse. Dat het SCP naar meer aspecten van klasse kijkt is een mooi streven. Ook is het prijzenswaardig dat het oog heeft voor de manier waarop onzekerheid zich vertaalt in steeds grotere kwetsbaarheid.

Het precariaat: dat zijn wij niet

Maar het probleem is: het precariaat wordt al gauw een groep die ver van de auteurs van het rapport af staat. Ver van ons als lezers, ver van politici die wel of niet tegemoet willen komen aan hun behoeften, ver van de vergadertafels in Den Haag waar het over deze groep gaat.

Dat wordt wel heel pijnlijk duidelijk in het hoofdstuk over wat het SCP noemt ‘esthetisch kapitaal’: over hoe de manier waarop we eruit zien (onze fysieke schoonheid, onze kleding, en dus ook onze BMI) onze maatschappelijke positie beïnvloedt. Dat hoofdstuk begint zo: ‘Op weg naar het werk kom je ze wel eens tegen. Een ogenschijnlijk hoogopgeleide zwerver, verward scharrelend op het station, afvalbakken inspecterend en soms willekeurig een voorbijganger aansprekend. Het contrast met passerende hoogopgeleiden in (mantel)pak is groot. Mogelijk hebben ze dezelfde opleiding en een vergelijkbare familie; alleen is de zwerver op straat terechtgekomen en niet in een mooi huis, heeft hij geen baan in een glanzende kantoortoren en ziet hij aan het einde van de dag niet zijn gezin en vrienden. Dit is een extreem beeld. Het geeft uitersten weer van een mogelijke tegenstelling die niet alleen met verschillen in sociaaleconomisch of cultureel kapitaal te maken heeft, maar mogelijk ook met uiterlijk en gedrag.’

De auteurs proberen een beeld te schetsen van een kwetsbaarheid die zich ook fysiek vertaalt en komen niet verder dan een beeld van een zwerver die zij uit de verte zien op het station. De lezer is niet precair en heeft betaald werk, zo nemen de auteurs aan. Verder verwijderd kan bijna niet.

De ‘doorstroombaan’ bij de OV-fiets-uitgifte

Terwijl je, ook op het station, toch niet ver hoeft te zoeken om mensen te vinden die worstelen met vergaande onzekerheid. Ik forens van Rotterdam naar Amsterdam. In Amsterdam maak ik gebruik van de OV-fiets. De (meestal) mannen die de fietsen scannen en repareren zijn vaak opvallend vrolijk en vriendelijk: ze maken een praatje, weten inmiddels dat ik uit Rotterdam kom reizen, wensen me een fijne dag.

Enige tijd geleden werd ik op zo’n manier ’s ochtends verwelkomd en werd mij bovendien een traktatie aangeboden. De Engelse dropjes waren, zo bleek toen ik even bleef praten, om afscheid te nemen: het contract van de jongeman die mij altijd zo vrolijk gedag zei was afgelopen en het zou niet verlengd worden – hij had al twee contracten gehad en een vast contract werd niet gegeven want ‘medewerker NS fietsenstalling’ is een ‘doorstroombaan’ en dus om ervaring op te doen en niet voor altijd. Hij had er verdriet van: “Ja natuurlijk vind ik het jammer. Mevrouw, ik maak hier per dag 600 of 700 praatjes. Dat heb ik nergens anders. Ik was heel graag gebleven.”

De rolkoffers met laptops

Ok, maar dit gaat ook over een baan aan wat wij zo denigrerend de ‘onderkant’ noemen, toch? Die hoort toch ook bij het precariaat? De OV-fiets-uitgifte is meer dan voorheen dichter bij de vergaderkamers waar besloten wordt, maar nog steeds ook wel op comfortabele afstand.

Een ander voorbeeld dan nog: Vanwege alle flexkantoren met belfauteuils, sta-tafels en ‘clean desk policies’ sjouwen steeds meer mensen hun computer mee naar huis. Op het station lopen dan ook veel mensen met grote laptoptassen of zelfs rolkoffers waarin hun portable kantoor zit. Op kantoren waar een ‘clean desk policy’ is, is niemand zeker van een rustige werkdag: mensen komen extra vroeg om de kans op een fijn plekje te vergroten. Werkenden concurreren met elkaar om wat welbeschouwd een basisbehoefte is voor werk: een plek waar het gedaan kan worden. De verplichting alles op te ruimen voor het naar huis gaan communiceert bovendien: mooi dat je hier werkt, maar we willen er zo weinig mogelijk van terugvinden.

Verbonden in onzekerheid

De drie voorbeelden lijken meer op elkaar dan we doorgaans zien: alle drie zijn ze precair op specifieke manieren. Niet even kwetsbaar, wel verbonden in onzekerheid. Niet weten waar je kunt werken en waar dat werk precies uit zal bestaan is een conditie die velen van ons delen. Ook mensen in vaste banen worden vaak geconfronteerd met plotselinge veranderingen in hun werk: wel baanzekerheid, geen werkzekerheid (zo zegt de Brit Guy Standing). Bovendien hebben ze alle drie te maken met de ervaring er niet geheel te mogen zijn: ook de OV-fiets-medewerker en de flexkantoorwerkende moeten soms geheel verdwijnen en sporen wissen.

Zien dat we verbonden zijn in de nieuwe onzekerheid is een cruciale stap op weg naar nieuwe vormen van solidariteit. We weten uit de geschiedenis van de verzorgingsstaat dat solidariteit vaak pas in wet en institutie wordt gevat en dus pas echt vorm krijgt als we het niet doen voor de ander, maar ook voor onszelf. Daarom moeten we niet spreken over groepen die ‘achter blijven’ of die, zoals Krijn van Beek  dat in een recent essay duidde, wij ‘achterlaten’. Voor mij is onduidelijk wie de ‘wij’ hier precies is.

Liever maak ik een ‘wij’ van al diegenen die meer of minder rekenen met onzekerheid – en dat zijn we bijna allemaal.

Marguerite van den Berg is universitair docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt nu aan onderzoek over precair werk in Nederland.