Gevraagd: vakman met lef

Als hemelbestormers noch hokjesafvinkers de hulp bieden die mensen nodig hebben, wie dan wel? Veldwerker en onderzoeker Marion Herben onderzocht de hulp aan tweeduizend jongeren en gezinnen. Op basis daarvan schetst zij een profiel van de moedige jeugdprofessional die te allen tijde bereikbaar en aanspreekbaar is.

‘Een rechtvaardige samenleving en opkomen voor de belangen van kwetsbare groepen.’ Met die kreet meldde de student sociaal werk zich pakweg vijftig jaar geleden aan bij de sociale academie. Daar scoor je nu geen punten meer mee. Door een koerswijziging in het beleid is de zorg de laatste decennia namelijk doordesemd geraakt van termen als efficiëntie, doelgerichtheid en resultaatgerichtheid. De hemelbestormers van weleer zijn vervangen door regievoerders, casemanagers, zorgcoördinatoren, procesbewakers en jeugdregisseurs. En die zijn vooral bezig met het organiseren, bewaken en monitoren en nauwelijks met het aanbieden van hulp.

Menselijkheid, lef en vakmanschap

Vergeten is dat hulpverlening niet floreert onder strikte protocollen, maar eerder tot haar recht komt bij zelfstandig werkende professionals met eigen regie die in ongedwongen contact staan met hulpvragers. Inderdaad een werkwijze die haaks staat op het huidige ‘businessmodel’ in de zorg. Die observatie is al vaker gedaan en is gratuit als we niet meteen aangeven wat de professional meer moet kunnen dan coördineren en bij twijfel ‘opschalen’.

De opdracht voor de jeugdprofessional is om met jongeren en ouders een relatie op te bouwen zodat belangrijke grondrechten - woonruimte, zorg, onderwijs, juridische en financiële bijstand - praktisch vorm krijgen. Misschien wel de belangrijkste eis is dat hij vooral over menselijkheid, lef en vakmanschap dient te beschikken.

Ook moet hij zo veel mogelijk zelf zaken oppakken alvorens specialisten in te schakelen en jongeren of hun ouder(s) als gelijkwaardige partners behandelen. Daarnaast moet hij de leefwereld durven betreden van diegenen die hij wil bereiken (Omlo, 2017). Opgaan in de 'leefwereld' van jongeren en ouders heeft raakvlakken met de uitgangspunten van de presentietheorie (Baart, 2001) en ‘outreachend’ werken (Van Doorn, Huber, Kemmeren, Van der Linde, Räkers & Van Uden, 2013).

Starten bij de directe last

Het bewaken van de fundamentele waarden in de leefwereld van jongeren en ouders, en het leggen van verbindingen met de veeleisende en soms botsende systeemwereld slurpen tijd en energie. Vooral waar de paden van gespecialiseerde hulp – ggz of verslavingszorg – en (jeugd)hulp niet op elkaar zijn afgestemd, moeten professionals het lef hebben om over de grenzen van het protocol heen te kijken en ‘direct aan de slag te gaan met wat nodig is’.

De professional start met wat door de jongere of ouder als directe last wordt ervaren in het hier en nu. Zoals bijvoorbeeld het regelen van inkomen of een dak boven je hoofd. Dit opent de deur voor een volgende fase met lastigere gespreksonderwerpen: schuldhulp, hulp bij psychische klachten, middelenmisbruik en hulp voor kinderen. Zo kan er een oplossing worden gevonden voor de bestaande mismatch tussen generalistische hulp- en dienstverlening en specialistische hulp.

Al doende leren

Jongeren en ouders zijn gebaat bij een begeleiding die bestaat uit voordoen, samen doen en samen ervaren. Door voorbeeldgedrag, samendoen en live coaching leren ze oog te hebben voor het belang van wederzijdse uitwisseling en ondersteuning en de juiste vraag op het juiste moment te stellen. Zo leren ze op een maatschappelijk geaccepteerde manier op te komen voor hun eigen belang.

Met de nadruk op positief gedrag, krijgen jongeren en ouders handelings- en communicatie-alternatieven aangereikt en leren zij met risicosituaties om te gaan. De professional activeert en motiveert personen om actie te ondernemen, en ondersteunt bij het aangaan van contacten. Daarin is aandacht voor het aanleren van vaardigheden om contacten te kunnen inschakelen, uitbreiden en onderhouden, bijzonder belangrijk om echt profijt te halen uit een opgebouwd netwerk (Bartelink & Verheijden, 2015).

Adaptief en vasthoudend

Het succes van de begeleiding, blijkt uit onderzoek, is zowel bij Nieuwe Perspectieven als ReSet (dit zijn de gebruikte onderzoeksmethodieken [i]) sterk persoons- en contextafhankelijk en stelt grote eisen aan het adaptief vermogen van de professional. Bij daklozen of delinquente jongeren heeft het, althans in eerste instantie, geen nut om aan te sturen op zelfreflectie. Wie vecht om te overleven, heeft daar geen ruimte voor.

Met dakloze jongeren een relatie opbouwen vraagt nogal wat inlevingsvermogen van de professional. Zeker als deze jongeren kampen met psychische problemen. Het regelen van een woning bijvoorbeeld moet wat betreft de dakloze jongere zo snel mogelijk, maar als hij psychische klachten heeft, dan vraagt het opbouwen van een positieve relatie doorgaans juist om een rustiger tempo. Een goede professional houdt daar rekening mee, beweegt mee, maar is tegelijkertijd vasthoudend.

Voor het realiseren en nakomen van betalingsregelingen helpt het als de professional zicht heeft op hoe de schulden van de jongere of ouder samenhangen met problemen op andere leefgebieden. Tevens is het belangrijk dat hij snel, kleine resultaten boekt en beschikbaar is op incourante tijden.

Samenvattend kun je zeggen dat de hulpverlening gebaat is bij professionals die menselijk en empathisch, eerlijk en realistisch zijn. Menselijk, teneinde een goede relatie met personen op te bouwen; empathisch, door ook betrokkenheid te tonen bij de niet-problematische aspecten van iemands leven, en eerlijk over de mogelijkheden en begrenzingen van het systeem.

Uit mijn promotieonderzoek blijkt dat er meerdere professionals zijn met precies die eigenschappen. Zij zijn echte hulpverleners: goed bereikbaar en aanspreekbaar en met voldoende lef om omwille van het belang van hun cliënten soms buiten de geëigende kaders te treden.

Marion Herben, is veldwerker, gedragswetenschapper en onderzoeker bij het JIT (XtraPlus) en Intermetzo. Dit artikel schreef ze in samenwerking met Erik Groene, veldwerker bij het JIT (XtraPlus) en Jolien van Aar, adviseur en onderzoeker bij VanMontfoort.

 

Noten

[i] De jeugdinterventies Nieuwe Perspectieven (NP) en ReSet leggen de nadruk op een persoonlijke benadering en actieve ondersteuning. In het onderzoek is het hulpaanbod aan ruim twee duizend jongeren en gezinnen onder de loep genomen

 

Foto: TheeErin (Flickr Creative Commons)

Bronnen

Literatuurlijst

Baart, A. J. (2001). Een theorie van de presentie. Utrecht: Boom Lemma Uitgevers.

Bartelink, C. & Verheijden, E. (2015). Wat werkt bij het versterken van het sociale netwerk van gezinnen? Geraadpleegd op 7 februari 2017

Herben, M. M. C. (2019). Effectief verbinden. Resultaatgerichte (door)ontwikkeling van interventies. Proefschrift. (druk in afwachting van de verdediging). Rotterdam: Bureau Tal BV.

Snoek, A., & Horstkötter, D. (2018). Botsende belangen? Het verbeteren van de zorg voor alcoholafhankelijke ouders en hun kinderen. Universiteit Maastricht.

Omlo, J. (2017) Wat werkt bij outreachend werken: Kansen en dilemma’s voor sociale wijkteams. Utrecht: Movisie.

Van Doorn, L., Huber, M. A., Kemmeren, C., Van der Linde, M., Räkers, M. & Van Uden, M. (Reds.). (2013). Outreachend werkt! Utrecht: Movisie.

Dit artikel is 2942 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (4)

  1. Als je onderzoek doet naar precies 2 interventies bij één bedrijf, heb je dan de onderbouwing van de kretologie in de eerste alinea gegeven ? En waarom ontbreken de promovendi en onderzoekers in het rijtje van mensen die wel bewaken, maar geen hulp aanbieden? Met wijzen naar een ander gaan we de problemen van jongeren niet oplossen.
    Buiten de sector is er niemand die de (welzijns)zorg zou typeren als ‘doordesemd van doelgerichtheid en resultaatgerichtheid’. En als het wel zo was, zouden jongeren niet blij zijn met resultaten?
    Mogelijk is dit onderzoek zo goed als de onderzoekers zelf vinden (is het online in te zien?), maar je zou de goede professionals een veel betere dienst bewijzen door niet met je rug naar de ‘bureaucratie’ te gaan staan (en daar in elk geval niet zo’n cliché van te maken). Goed jongerenwerk kost veel belastinggeld, dus help de bureaucraten om het goed te besteden.

  2. Jammer nou weer, de term vakMAN en de “hij”vorm waarin het stuk is geschreven. De werker is een “hij”. Ook de jongere is een “hij”. Hoe genderbewust ben je dan aan het werk?

  3. Beste Klaas Mulder,

    Er is niets mis met het leveren van goede resultaten. Echter als professional in de jeugdhulp heb ik termen als prestatiescodes, productie draaien of minutenregistratie niet zien bijdragen aan betere zorg en evenzeer de bureaucratie niet.

    Het promotieonderzoek aan de UvH naar twee jeugdinterventies dat tussen 2014 en 2019 heeft plaatsgevonden in Zuid-Holland bij vijf organisaties is inmiddels uitgebreid naar Utrecht en Gelderland.

    De verdediging zal op 28 september plaatsvinden (is eerder uitgesteld vanwege de corona). Mocht je het proefschrift willen ontvangen en de onderzoeksuitkomsten inzien dan kan dat na 28 september.

    De uitkomsten zijn aanleiding geweest voor een doorontwikkeling in samenwerking met VanMontfoort en de implementatie van een meet en verbetercyclus. Door zeer goed aan te sluiten bij de praktijk verwachten wij bureaucratie te minimaliseren en het zorgaanbod te verbeteren. Juist omdat het jongerenwerk en de professionals in de jeugdhulp zo waardevol en belangrijk zijn.

    Vriendelijke groet,

    Marion Herben

  4. Inmiddels al binnen een aantal functies meegedraaid binnen de jeugdhulpverlening, waarvan voor mijn verhuizing naar limburg, binnen de nieuwe perspectieven methodiek Ik denk dat dit artikel exact de kern raakt van waar het vaak aan schort! Als je werkt met een doelgroep die al jaren met jeugdhulpverlening te maken heeft, hoor je terug waar de schoen steeds heeft gewrongen. Er was te weinig tijd, er werd te weinig geluisterd en waren teveel gezichten. Er is behoefte aan hulpverlening die niet oordeelt, niet opgeeft, de kwaliteiten kan benoemen en vooral ook letterlijk kan meewandelen. Een hulpverlener die risico’s durft te nemen en een echt contact kan en mag aangaan waardoor er naast vertrouwen, ook daadkracht groeit! Meelopen, meevoelen, enthousiasmeren en trots zijn. En daarbij de eerste druk van de ketel kunnen halen bij de praktische problemen die spelen. Deze jongeren moeten het later gaan maken in plaats van te vervallen in een self forfilling prophecy; “ ik houd me niet goed aan de afspraken, dat heb ik nooit goed gedaan, ik kan niet beter weten of kunnen want ik heb een stoornis waar dit gedrag bij past, ik ben een kansloze jongere”. Deze uitspraken zijn vaak niet de uitzondering maar de regel. Overigens is het vanuit de hulpverleners zelf ook een vaak gehoorde frustratie: te weinig tijd, te veel kaders. Dit zijn jongeren en geen cijfers! Ze zijn de investering waard.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *