Het sociale domein vereist een innovatief collegeprogramma

In veel gemeenten wordt nog volop geformeerd. Martin Stam en Jean Pierre Wilken vinden dit een mooie gelegenheid om adviezen voor het collegeprogramma te geven over de (her)inrichting van het sociaal domein. Met als adagium: minder werken vanuit een professioneel aanbod en meer samen met burgers.

De gemeentelijke overheid is sinds 2015 verantwoordelijk voor het belangrijkste deel van de ondersteuning van haar inwoners. Huishoudelijke ondersteuning, psychosociale hulpverlening, armoedebestrijding, jeugdzorg, voorzieningen voor werk en inkomen: het wordt tegenwoordig allemaal lokaal ingevuld. Bezuinigingen dwongen gemeenten om het oude uitgebreide aanbod van hulp- en dienstverlening te beteugelen.

Daar komt bij dat het oude stelsel niet voldeed, hoezeer de afgelopen vijfendertig jaar professionals in het sociale domein ook hun best deden om sneller, doelmatiger en doeltreffender te gaan werken. Ze leerden vaste protocollen te gebruiken om met steeds grotere ‘caseloads’ specifieke ‘targets’ te halen, die ze in strakke registratieformats verantwoordden. Netto kregen ze echter steeds minder tijd voor mensen in kwetsbare posities, die daardoor buiten de boot vielen en de overheid zo alleen maar meer geld kostten aan uitkeringen en hulpverlening.

Meer met burgers

Door deze bezuinigingen en het falen van het oude stelsel gingen gemeenten op zoek naar een kanteling van het rationele productdenken naar het relationele procesdenken, dat wil zeggen: minder werken vanuit een professioneel aanbod en meer samen met burgers, minder over en meer met burgers praten en beslissen.

Alle betrokkenen moeten daarvoor anders leren denken en doen. Bestuurders, raadsleden, burgers, professionals, ambtenaren en managers moeten nieuwe culturele waarden in hun leven en werk invoegen: wederkerigheid, concrete solidariteit en meer van onderaf dan van bovenaf veranderingen ‘uitvinden’.

Vier opgaven voor het nieuwe collegeprogramma

Om deze kanteling succesvol en onomkeerbaar te maken is politieke sturing nodig. Gemeenten kunnen hun nieuwe collegeprogramma hierop richten. Volgens ons moeten zij sturen op vier opgaven die samen leiden tot verbetering van de sociale kwaliteit van de gemeenschap en de kwaliteit van leven voor iedere individuele inwoner.

  1. Creëren van gemeenschappelijkheid

De gemeente stimuleert dat iedereen in het sociale domein meer gaat samenwerken. Zo schreef de gemeente Hoorn in 2016 en 2017 een aanbesteding uit voor innovatieve projecten in het sociale domein waarbij een voorwaarde was dat aanbieders samen met bewoners of met andere instellingen offreerden. De gemeente kan zo’n coöperatieve houding ook aan zichzelf opleggen door meer als partner in het sociale domein op te treden en actief deel te nemen aan experimenten.

De gemeente kan ook actieve tolerantie stimuleren in plaats van genoegen nemen met de passieve tolerantie van leven en laten leven, sociale verantwoordelijkheid bij de ander leggen, en onverschilligheid onder het mom van: ‘Ik betaal toch belasting?’. Actieve tolerantie betekent de strijd aangaan met het wij-zij denken en met hokjesdenken. Het moedigt mensen aan verbinding te zoeken met de ander, juist ook de ander als vreemde.

De gemeente moet ook haar eigen bestuurlijke hokjesgeest van gescheiden diensten doorbreken en samenwerking bevorderen tussen professionals en inwoners die ervaringsdeskundig zijn op gebied van zorg, armoede en sociale uitsluiting en deze verankeren in beleid en praktijk. Er zijn diverse organisaties opgericht die deze samenwerking nastreven, zoals EDASU, Coeva en Stichting Mens en Maatschappij. Samenwerking vindt inmiddels al plaats in bijvoorbeeld Utrecht, Veendam en Amsterdam.

Of de gemeenschappelijkheid in handelen is gegroeid kan over vier jaar vastgesteld worden (prestatie-indicator) door bijvoorbeeld te kijken of er meer gemeenschapszin is, dat wil zeggen of er nieuwe vormen van zorg en ondernemerschap tot stand zijn gekomen en of professionals meer samenwerken met burgers aan complexe sociale vraagstukken als armoede, sociale verbondenheid, diversiteit, lokale democratie en ruimte voor kinderen en jongeren om zich te ontwikkelen.

  1. Streven naar pluriformiteit

Gemeenschappelijkheid veronderstelt pluriformiteit. De ene mens en de ene wijk is de andere niet. Bij complexe vraagstukken en bij mensen met ingewikkelde problematiek heb je meer aan een proceslogica dan aan een productlogica. Procesdenken vertrekt voor verbetering van zorg-, hulp- en dienstverlening vanuit de relaties tussen professionals en bewoners. Het gaat hierbij meer om pluriformiteit en rechtvaardigheid in plaats van uniformiteit en rechtmatigheid.

De gemeente kan zo de machtsdynamiek in het sociale domein laten kantelen: wat goed en nodig is wordt meer van onderaf gezocht dan van bovenaf gedecreteerd. Door de diversiteit aan stemmen en belangen beter te horen en de ervaringskennis van inwoners in kwetsbare posities beter te benutten, krijgen die ook meer stem in de publieke meningsvorming over wat goede hulpverlening is.

Bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen zal daardoor de opkomst in buurten met veel sociale problematiek beduidend hoger zijn dan in 2018 (prestatie-indicator).

  1. Ontwikkelen van lerende gemeenschappen

Gemeenschappelijkheid veronderstelt loslaten van de hokjesgeest. Diversiteit veronderstelt loslaten van uniformiteit. Als teams met professionals uit verschillende instellingen en werksoorten de ruimte krijgen om wijkgericht te leren samenwerken met bewoners, vrijwilligers en mensen in precaire situaties ontstaan lerende gemeenschappen.

Dit gebeurt bijvoorbeeld al bij GGZ in de wijk in Amsterdam Zuid, waar maatjes, buddy’s en ervaringsdeskundigen samen met professionals eenzaamheid en stress weten terug te dringen.

Zulke processen komen niet spontaan op gang en verlopen niet gladjes. Dit vraagt sturing en regie, want anders is de kans groot dat ze stranden in onverzoenlijke conflicten, frustraties en verwijten. We bevelen gemeenten aan een masterplan te maken om deze spanningen constructief te benutten.

De leidende vraag hierbij is hoe opdrachtgever-opdrachtnemerrelaties (productmodel) vervangen kunnen worden door partnerships van professionals, bewoners en direct betrokkenen (procesmodel). Het plan legt de condities vast voor samenwerkend leren: hoe laat je de gelijkwaardigheid van de verschillende deelnemers en van hun verschillende expertises tot zijn recht komen, hoe garandeer je ondersteuning en ruimte om te experimenteren, hoe faciliteer je resultaatgerichtheid en verankering in het nieuwe stelsel, inclusief financieringsvoorwaarden?

Prestatie-indicatoren zijn bijvoorbeeld: het aantal succesvolle praktijken van lerend ontwikkelen van gemeenschappen en geslaagde experimenten die ingevoegd zijn in het reguliere proces van het sociale domein, in beleid en regelgeving, inkoop en uitvoering.

  1. Realiseren van rendement

In totaal wordt er sinds 2015 jaarlijks zo’n acht miljard euro overgeheveld van het rijk naar de gemeenten. Veertig procent van de gemeentelijke begroting is bestemd voor het sociale domein. Dit betekent dat gemeenten, ondanks de ingebouwde bezuinigingen, ruimte hebben om de lokale verzorgingsstaat met diepte-investeringen de komende decennia stabiel in te richten.

Dat wil zeggen ongelijkheden niet achteraf corrigeren, maar juist proberen te voorkomen door gericht te investeren op basis van de juiste doelen en uitkomstmaten. Deze zullen in dialoog met bewoners tot stand moeten komen, waardoor ook de kracht van de lokale democratie versterkt wordt. Beleidsdoelen zijn zodoende het resultaat van lokale processen waarbij ernaar gestreefd wordt ook de stem te laten meetellen van de meest kwetsbare inwoners. Investeringen sluiten dan nauw aan bij wat de directbetrokkenen belangrijk vinden voor de kwaliteit van (samen)leven.

Wat ons betreft gaan maatschappelijk en economisch rendement hier hand in hand. Investeringen in welzijn en gezondheid leiden tot rendement in termen van productiviteit, veiligheid en zorgconsumptie. Niet van bovenaf maar samen met bewoners voor een langere periode sociale kwesties oppakken verbetert het rendement van sociale investeringen.

Voor het realiseren van rendementsverbetering (prestatie-indicator) moeten gemeenten de rationaliteit van kostenplaatjes dienstbaar laten zijn aan het relationele van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

Martin Stam was tot 2016 lector Outreachend werken en innoveren aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij is nu als zelfstandig onderzoeker en adviseur actief. Zijn expertise ligt onder meer in leer- en transformeerprocessen in het sociale domein. Jean Pierre Wilken is lector Participatie, Zorg en Ondersteuning bij het Kenniscentrum Sociale Innovatie van Hogeschool Utrecht en programmacoördinator van het kennisplatform Utrecht Sociaal. Hij houdt zich onder meer bezig met vernieuwing van het sociale domein.

Foto: Gemeente Destelbergen (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1075 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Kan mij er in vinden in tijden dat de verhouding tussen sociaal burgerschap, maatschappelijk burgerschap en politiek burgerschap duurzaam aan het veranderen is. Vraag mij alleen a wat het op termijn zal betekenen voor grote groepen meer kwetsbare burgers met een beperkt aspiratieniveau capaciteiten en mogelijkheden op termijn. Groepen als zij die te maken hebben met het optreden van 1. intergenerationele- overerfbare armoede, 2. vele alleenstaande bijstandsmoeders bijstandsvrouwen en 3. LVB-er/ GGZ patienten in armoede

  2. “Ze leerden vaste protocollen te gebruiken om met steeds grotere ‘caseloads’ specifieke ‘targets’ te halen, die ze in strakke registratieformats verantwoordden.”

    Het management- en bedrijfskundig denken bij de overheid is er vooral debet aan dat er niet in termen van sociale processen maar eerder in termen van machtsverhoudingen wordt gedacht die moeten worden geconsolideerd. Een cultuur omslag naar een ‘bottum up’ benadering ligt op korte termijn niet voor de hand.
    Politieke bestuurders zijn dan ook in de eerste plaats niet erg geïnteresseerd in sociale verandering maar meer in beheersing van sociale problematiek.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *