‘Ik vertrouw geen enkel onderzoek…’

Het is geen feest in de wetenschap. Tenminste, dat lijkt zo. Want mensen die de wetenschap afwijzen, gaan voor een alternatief ook te rade bij de wetenschap, met een grotere focus op de eigen ervaring en intuïtie, zo betoogt Peter Achterberg vandaag in zijn oratie ‘Een eenzame visserman op zoek naar geluk’.

Wie de laatste tijd, op internet vooral, het publieke debat een beetje volgt, zal ongetwijfeld opgevallen zijn hoe vaak mensen dingen zeggen als: ‘De wetenschap deugt niet…’. Of: ‘Wetenschap is gekaapt door policor mensen’. Iemand die zich ‘scalmer’ noemt op de panelen van NuJij.nl ‘…gelooft de wetenschap gewoon niet meer’ . Dit hele slagveld laat zich, volgens mij, prima samenvatten door een opmerking van Geenstijl reaguurder ‘pajans’: ‘Mooi he die akkademiese wereld, je lacht je [mannelijk geslachtsdeel] uit je broek’.

Het hoeft, gezien deze voorbeelden, niet te verbazen dat men zich in bestuurlijk en wetenschappelijk Nederland enorm druk maakt over het aanzien van de wetenschap. De rapporten waarin dit thema aan de orde komt schieten de laatste twee jaar als paddenstoelen uit de grond. Zo stelde de KNAW een rapport op over Vertrouwen in de Wetenschap (2013). In dat rapport verwoordt wetenschappelijke eindbaas Hans Clevers zijn zorgen: ‘Na de dominee en de dokter is nu ook de autoriteit van de wetenschapper niet langer vanzelfsprekend…’ Bovendien worden volgens Clevers ‘…wetenschappelijke bevindingen vaker bekritiseerd door mondige burgers en soms zelfs als “ook maar een mening” in de touwen gedrongen’ (Clevers, 2013:4). Vanwege alle ophef peilden ook het Rathenau Instituut en de WRR de publieke sentimenten (Tiemeijer en De Jonge, 2013).

Uit al het onderzoek komt opmerkelijk genoeg helemaal niet het beeld naar voren dat het publieke aanzien van de wetenschap tanende is. En ook zijn er indicaties dat het juist erg goed gaat met de publieke steun voor de wetenschap. Zo stelden de opstellers van de eind november verschenen wetenschapsvisie van het ministerie van OC&W al dat: ‘De samenleving (…) geïnteresseerder [is] in wetenschap dan ooit….” (OC&W, 2014: 9). En eerder al concludeerde het invloedrijke Britse House of Lords-rapport getiteld ‘On science and society’ dat er een paradox is tussen deze ongekende populariteit en relevantie van de wetenschap enerzijds, en anderzijds het negatieve publieke sentiment en scepsis waarmee wetenschappers en beleidsgerelateerd onderzoek tegenwoordig tegemoet worden getreden.

Een recente enquête die Dick Houtman en ik eind 2013 onder een representatieve uitsnede van de Nederlandse bevolking afnamen bevestigt dit beeld. Iemands geloof in wetenschappelijk onderzoek heeft helemaal niets te maken met het vertrouwen in wetenschap als institutie, ofwel in ‘wetenschappers’ en ‘de wetenschap’.

Orde op zaken stellen

Voor de verklaring van deze vertrouwenskloof ga ik te rade bij sociologen die geïnteresseerd zijn in maatschappelijke gevoelens van onbehagen in de vorm van ‘anomie’ (cf. Srole, 1956). Mensen die zich anomisch voelen, zien gevaar in de complexiteit van de sociale en culturele orde. Zij zien die als wispelturig. Als onvoorspelbaar. Wanordelijk zelfs. En als gespeend van enige zin of betekenis. Dit maatschappelijke onbehagen wordt overigens door de sociologische goegemeente eerst en vooral aangezien voor een tamelijk destructieve kracht. In een recent artikel inventariseren Mark Elchardus en Kobe de Keere (2013:101) de veronderstelde gevolgen van anomie: van drugsgebruik tot geslachtsziekten. Van pornografie tot criminaliteit. En ook wantrouwen ten aanzien van instituties. En precies dit laatste is hier interessant. Maatschappelijk onbehagen in de vorm van anomie wordt dikwijls rechtstreeks in verband gebracht met wantrouwen ten aanzien van centrale moderne instituties zoals de wetenschap (Gauchat, 2008; 2011; De Keere, 2010).

De redenatie is dan meestal als volgt: De wetenschap als geheel en de wetenschappelijke instituties in het bijzonder kunnen gezien worden als tamelijk invloedrijke maatschappelijke actoren die veel verandering teweegbrengen (cf. Merton, 1957: 534). Vooral mensen die sterk anomisch zijn kunnen deze wetenschappelijke instituties zien als ongenaakbaar, en hebben het idee ze er überhaupt geen enkele invloed op uit kunnen oefenen. De overweldigende invloed van wetenschappelijke instituties gekoppeld aan het idee dat zij er zelf geen enkele invloed op hebben maakt dat zij juist wantrouwender staan ten aanzien van deze instituties (Zijderveld, 2000; Gauchat, 2011: 755). En inderdaad, ons recente onderzoek toont dit dan ook feilloos aan: Hoe anomischer, hoe minder men de wetenschap als institutie een warm hart toe draagt.

Hoe is anomie verbonden met wetenschappelijke aspiraties, institutioneel vertrouwen in de wetenschap en de wetenschappelijke vertrouwenskloof onder de Nederlandse bevolking?

Hoe is anomie verbonden met wetenschappelijke aspiraties, institutioneel vertrouwen in de wetenschap en de wetenschappelijke vertrouwenskloof onder de Nederlandse bevolking?

 

Maar het is fout om hieruit te concluderen dat deze anomie dus simpelweg een destructieve kracht is die het verlangen oproept om de wetenschap als geheel een kopje kleiner te maken. Want je zou ook kunnen stellen dat anomische mensen juist veel reden hebben om de wetenschap, haar methode en haar opbrengsten, een warm hart toe te dragen. Volgens het boek The Homeless Mind, dat Peter Berger en zijn collega’s ruim 40 jaar geleden schreven, hebben deze mensen namelijk twee opties. De eerste past uitermate goed bij wat we zo-even gezien hebben: Mensen kiezen ervoor niet langer bij te dragen aan de instituties die ze zo verafschuwen. Maar in het boek wordt ook gewezen op een tweede optie. En dat is een actieve, gepassioneerde zoektocht naar een herstel van de orde. En deze restauratie van orde impliceert activisme. De wetenschap, vooral wetenschap die beantwoord aan positivistische beloften rond het ‘ontdekken’ van een echte, zuivere werkelijkheid, kan gezien worden als een beloftevolle manier om de wereld weer van enige orde en zekerheid te voorzien. Het is immers dagelijkse kost voor wetenschappers kaas te maken van de complexiteit en chaos die de werkelijkheid heet. Het is dus daarom niet verwonderlijk dat mensen die gevaar zien in de complexiteit van de sociale en culturele orde, en deze zien als wanordelijk en problematisch, hun heil zoeken in activiteiten als wetenschap, die juist de belofte herbergen om orde in de chaos te scheppen.

Hoe anomischer men is, zo laat de figuur zien, hoe meer men verwacht van de wetenschap. Anomische mensen hebben dus tegelijkertijd weinig institutioneel vertrouwen ten aanzien van de wetenschap én hogere wetenschappelijke aspiraties. De figuur laat voor deze categorie mensen dan ook forse verschillen zien in de vertrouwenskloof.

In science ourselves we trust

Een voor de hand liggende vraag is of deze vertrouwenskloof ten aanzien van de wetenschap ook iets uitmaakt. En dat doet het, omdat het zorgt voor een veranderende kennisleer. Eentje met een grotere focus op de eigen belevingswereld, de eigen ervaring, én, niet te vergeten, de eigen intuïtie. Want als wetenschappelijke instanties gezien worden als voornamelijk vervreemdende instituties, dan worden mensen vooral teruggeworpen op zichzelf. Uit onderzoek op het terrein van de godsdienstsociologie (Wood & Bunn, 2010), populaire cultuur (Van Zoonen 2012), en uit onderzoek naar complottheoretici (Harambam en Aupers 2015) blijkt al dat er een tamelijk sterke tendens is naar een zogenaamde individuele kennisleer.

Niet vervreemdende instituties, maar jijzelf moet aan de bal blijven. Deze literatuur maakt duidelijk dat het niet vreemd is om te veronderstellen dat mensen die barsten van de wetenschappelijke aspiraties maar geen vertrouwen hebben in de officiële wetenschappelijke instituties, in de eerste plaats bij zichzelf te rade gaan. In ons vragenlijstonderzoek hebben we daarom een batterijtje vragen opgenomen met als doel deze individuele kennisleer te meten (vgl. Unger et al. 1968). De figuur laat zien dat deze voorkeur voor een individuele kennisleer – de eigen intuïtie en ervaring als bron van kennis – inderdaad het sterkst ontwikkeld is onder mensen met weinig vertrouwen in wetenschappelijke instituties, mensen met sterke wetenschappelijke aspiraties, en dus bij mensen waar de kloof tussen wetenschappelijke aspiraties en institutioneel vertrouwen groot is.

Hoe is een voorkeur voor een individuele epistemologie verbonden met wetenschappelijke aspiraties, institutioneel vertrouwen in de wetenschap en wetenschappelijke vertrouwenskloof onder de Nederlandse bevolking?

Hoe is een voorkeur voor een individuele epistemologie verbonden met wetenschappelijke aspiraties, institutioneel vertrouwen in de wetenschap en wetenschappelijke vertrouwenskloof onder de Nederlandse bevolking?

Anomisch en zelf aan de bal

Anomische mensen hebben dus niet de handdoek in de wetenschappelijke ring gegooid. Integendeel. Hun wetenschappelijke ambities zijn hoger dan menig socioloog zou verwachten. Ze zien in de wetenschap een methode om orde op zaken te stellen. Maar het zijn de instituties die nauw verknoopt zijn met de uitvoering van deze ambities die in hun ogen problematisch en minder betrouwbaar zijn. Ofwel, in de woorden van ene ‘Uithuilen en opnieuw beginnen’: ‘Wetenschap" is betrouwbaar, maar (sommige) "wetenschapPERS"?’

Deze institutioneel wantrouwige burgers zitten niet bepaald bij de pakken neer. Ze combineren hun institutionele wantrouwen met wetenschappelijke aspiraties. Ze ontwikkelen nieuwe, alternatieve repertoires. En ze blijven daarbij dicht bij huis. Ze zien voor zichzelf, en voor hun medeburgers trouwens, een uitgelezen kans om wetenschappelijk aan de bal te blijven. Om zelf uit te vinden wat er allemaal waar is, en wat niet. Dat sommigen dingen zeggen als: ‘Ik vertrouw geen enkel onderzoek...zeker niet als mijn mening niet eens gepeild is...’ valt daarmee prima te begrijpen. Dat in de meest recente wetenschapsvisie van het huidige kabinet (OC&W, 2014) sterk de aandacht uitgaat naar een grotere rol van burgers in het wetenschappelijke onderzoek trouwens ook.

Peter Achterberg is hoogleraar sociologie, en gespecialiseerd in culturele, politieke en religieuze veranderingen in het Westen en de consequenties daarvan voor sociaal gedrag.

 

Dit artikel is gebaseerd op zijn oratie De oratie ‘Een eenzame visserman op zoek naar geluk’, over het publieke aanzien van de wetenschap, die hij vanmiddag uitspreekt aan de Tilburg University.

 

Geraadpleegde literatuur
Berger, P. L., Berger, B., & Kellner, H. (1973). The Homeless Mind: Modernization and Consciousness. New York: Vintage Books.
Clevers,H. (2013) Voorwoord. In: Vertrouwen in wetenschap, Amsterdam, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. (pp. 4-5).
Elchardus, M., & De Keere, K. (2013). Social control and institutional trust: Reconsidering the effect of modernity on social malaise. The Social Science Journal, 50(1), 101-111.
Gauchat, G. W. (2008). A test of three theories of anti-science attitudes. Sociological Focus, 41(4), 337-357.
Gauchat, G. (2011). The cultural authority of science: Public trust and acceptance of organized science. Public Understanding of Science, 20(6), 751-770.
Harambam, J., & Aupers, S. (2014). Contesting epistemic authority: Conspiracy theories on the boundary of science. Public Understanding of Science, 0963662514559891.
House of Lords, (2000) Science and Technology - Third Report. Available through:  (last consulted on 26-9-2014)
KNAW (2013) Vertrouwen in wetenschap, Amsterdam, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Merton, R. K. (1957). Social theory and social structure. The Free Press of Glencoe.
OC&W, (2014) Wetenschapsvisie 2025: keuzes voor de toekomst. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur, en Wetenschappen.
Riesman, D., Glazer, N., & Denney, R. (1953). The lonely crowd: A study of the changing American character (Vol. 16). New York: Doubleday.
Tiemeijer, W. & De Jonge,J. (2013) Hoeveel vertrouwen hebben Nederlanders in wetenschap? Rathenau Instituut/ Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Unger, R. K., Draper, R. D., & Pendergrass, M. L. (1986). Personal epistemology and personal experience. Journal of Social Issues, 42(2), 67-79.
Van Zoonen, L. (2012). I-Pistemology: Changing truth claims in popular and political culture. European Journal of Communication, 27(1), 56-67.
Wood, M., & Bunn, C. (2009). Strategy in a religious network: a Bourdieuian critique of the sociology of spirituality. Sociology, 43(2), 286-303.
Zijderveld, A. C. (2000). The Institutional Imperative: The Interface of Institutions and Networks. Amsterdam: Amsterdam University Press.

 

Reacties op dit artikel (1)

  1. De bevolking meer betrekken bij beslissingen over wetenschappelijk onderzoek een positieve ontwikkeling?

    Het rendementsdenken wordt bekritiseerd omdat wetenschappelijk onderzoek zonder maatschappelijk of economisch doel geen kans krijgt. Schadelijk omdat zinvolheid en nut aspecten zijn die je niet vooraf kunt voorspellen. Soms blijkt achteraf voor welke doeleinden een onderzoek nuttig is geweest. Rendementsdenken is een beperking van creativiteit die nu juist essentieel is voor innovatie, en dus uiteindelijk wel weer een doel kan dienen.

    En O lordie, stel je voor dat een wetenschappelijk onderzoek, ook achteraf, helemaal geen enkel doel bleek te dienen. Stel je voor dat we gewoon een beetje vanuit onze nieuwsgierigheid onze planeet en alles eromheen gaan zitten bestuderen. Stel je voor dat onderzoek geen enkele vorm van menselijke macht en controle zou opleveren.

    Rendementsdenken wordt niet alleen door machtige instituties en geldverdelers aangewakkerd. Ik denk dat nu juist de burger en de bevolking hier zelf om vragen.
    De burger die fijn mee gaat beslissen over de wetenschappelijke onderzoeksagenda gaat geen verandering in het rendementsdenken brengen, het gaat geen creativiteit opleveren.

    Leuk, weer een onderzoek naar hoe we onsterfelijk oud kunnen worden, want dat zijn het soort onderzoeken dat hoog zal scoren. Of het maatschappelijk en milieu technisch haalbaar en wenselijk is, ach dat zien we achteraf dan wel weer. Eerst maar eens miljarden onderzoeksgeld in de medische wetenschap pompen, want daar vraagt de burger om. Oleej.

    Ben overigens per se tegen rendementsdenken, maar hou het even hierbij voordat er weer een half betoog staat.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *