Participatie-inkomen is prima alternatief voor onbetaalbaar basisinkomen

Is het basisinkomen hét antwoord op de vele en grote veranderingen in economie en samenleving. Of is deze oplossing onbetaalbaar en leidt ze daardoor alleen maar tot enorme bureaucratie? Een participatie-inkomen lijkt een beter alternatief.

Ons land bevindt zich in een fase waarin we opnieuw moeten nadenken over de sociale zekerheid. De zogenoemde participatiesamenleving doet een steeds groter beroep op burgers om allerlei zorgtaken op zich te nemen. Voorts is de verandersnelheid van de samenleving en daarmee de fluctuatie op de arbeidsmarkt fors toegenomen: hele economische sectoren verdampen, andere komen op, wat nieuwe kennis en dus permanente scholing vraagt. In een moderne kenniseconomie zou de inrichting van de sociale zekerheid veel meer moeten bevorderen dat mensen zich kunnen scholen of even een adempauze kunnen nemen. Ook dient de enorme toename van zzp’ers verwerkt te worden in de vormgeving van de sociale zekerheid. Daarom moeten we zoeken naar creatieve en werkbare nieuwe arrangementen die meer flexibiliteit én meer zekerheid bieden dan de bestaande regelingen.

Basisinkomen staat haaks op uitgangspunt van solidariteit...

Een basisinkomen lijkt een oplossing voor veel van de gesignaleerde problemen (zie: 'Hoogste tijd voor een experiment met het basisinkomen' en 'Basisinkomen. Go wethouders, go!'). Iedere inwoner van Nederland krijgt een ongeconditioneerd inkomen, hoog genoeg om van te leven. Tegen dit idee zijn enkele bezwaren in te brengen. Zo staat een basisinkomen haaks op het christelijk-sociale uitgangspunt van wederkerigheid in solidariteit. Van een ieder mag immers een bijdrage aan de samenleving verwacht worden, ook van hen die tijdelijk niet actief zijn op de arbeidsmarkt.

Het lijkt niet rechtvaardig dat iemand die, zoals de filosoof John Rawls zei, zijn tijd doorbrengt ‘met surfen op het strand’ ongeconditioneerde inkomensondersteuning krijgt. Dit principiële bezwaar geldt evenzeer voor de experimenten met een basisinkomen in de bijstand die sommige gemeenten aan het opstarten zijn. Hierin zouden volgens sommige gemeenten bijstandsgerechtigden gewoon kunnen bijverdienen. Het is echter onrechtvaardig wanneer een bijstandsgerechtigde zijn uitkering mag houden en daardoor meer verdient dan iemand die dat werk toch al deed.

….is onbetaalbaar...

Naast principiële bezwaren zijn er ook praktische bezwaren. Een basisinkomen van 1000 euro per maand voor iedereen kost Nederland bijna 200 miljard euro per jaar. Als we ter financiering alle uitkeringen, toeslagen, kinderbijslag en heffingskortingen meenemen, levert dit een bedrag op van circa 125 miljard euro. Er resulteert dus een tekort van 75 miljard euro op jaarbasis. De belastingen gaan dus met ten minste 25 procent omhoog.

Vanwege de onbetaalbaarheid van dit basisinkomen is voorgesteld dat iedere volwassene een belastingvrij basisinkomen krijgt, gelijk aan de helft van de AOW voor een echtpaar (dit is ongeveer 750 euro per maand), en dat kinderen de helft krijgen, maar dan blijft er nog steeds een gat over van 25 miljard euro. Bovendien zal een dergelijk basisinkomen absoluut niet volstaan. Immers, anderhalf miljoen (alleenstaande) AOW’ers zullen dan worden geconfronteerd met een verlaging van hun inkomsten met 300 euro per maand. Uiteraard is het niet acceptabel dat een grote groep ouderen er fors in inkomen op achteruitgaat. Een aanvullende uitkering zal noodzakelijk zijn. Ook andere groepen zullen gecompenseerd moeten worden, bijvoorbeeld door het schrappen van toeslagen. Dit alles zal leiden tot nieuwe regelingen en bureaucratie, wat men met een basisinkomen juist probeert te beperken.

…. en heeft aanzuigende werking

Een bijkomende, en steeds actuelere reden waarom een basisinkomen niet haalbaar is, zijn de toenemende migratiestromen in Europa. Een basisinkomen rond het niveau van de Nederlandse armoedegrens zal een sterk aanzuigende werking hebben op de huidige vluchtelingen- en asielstromen. Nu zou men kunnen overwegen om een basisinkomen alleen toe te kennen aan Nederlanders (ingezetenen in Nederland), maar de huidige discussie over de mogelijk uittrede van Engeland uit de EU - Brexit - geeft aan dat een dergelijke constructie Europeesrechtelijk haalbaar noch wenselijk is. Kortom, men ontkomt er niet aan om een nieuwe vormgeving van de sociale zekerheid ook open te stellen voor de nieuwe Nederlanders. Daar komt bij dat ook vanuit het oogpunt van wederkerigheid zeer te verkiezen is voor zowel de asielzoekers zelf als voor de Nederlandse samenleving als zij zich direct kunnen inzetten en niet aan de zijlijn blijven staan.

Participatie-inkomen als betaalbaar alternatief

Dit brengt ons bij de gedachte van een participatie-inkomen, die door de Engelse econoom Anthony Atkinson is uitgewerkt voor het Verenigd Koninkrijk onder meer in zijn recente boek Inequality. Alleen inwoners die een actieve bijdrage leveren aan de samenleving dienen een participatie-inkomen te ontvangen. Het gaat niet alleen om werk. Het is ook bedoeld voor diegenen die zich actief laten scholen, waardoor dit een-leven-lang-leren bevordert. Ook studenten kunnen in aanmerking komen voor dit inkomen, waardoor zij zich minder in de schulden hoeven te steken. Ook stelt hij voor om het participatie-inkomen open te stellen voor vrijwilligerswerk.

Voor Nederland zou het maximum van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting in 2015 al een uitstekende basis vormen voor een participatie-inkomen. Het participatie-inkomen zal daardoor dus circa 4000 euro per jaar bedragen. Ook de zelfstandigenaftrek dient deel uit te maken van dit participatie-inkomen. Dit heeft als voordeel dat de huidige ongelijkheid tussen werknemers en zzp’ers voor een belangrijk deel wordt weggenomen. Daarnaast kan een deel van de bijstand worden overgebracht in het participatie-inkomen, wat de armoedeval beperkt. Verder zou bij de AOW voor de jonge ouderen, bijvoorbeeld tot 75 jaar, overwogen kunnen worden om een (klein) deel over te hevelen naar het participatie-inkomen. Ook zou ik restrictiever dan Atkinson willen zijn met een participatie-inkomen voor vrijwilligerswerk, om monetarisering van informele zorg te voorkomen. Dit neemt niet weg dat het wenselijk is om een participatie-inkomen te verstrekken voor vrijwilligerswerk en sociale activiteiten in de zorg of het onderwijs, ook omdat die taken nu vaak blijven liggen.

Voor wat betreft de financierbaarheid is deze uitwerking van het participatie-inkomen te overzien. Voor mensen die werken kan dit via de bestaande heffingskortingen. Voor uitkeringsgerechtigden die zich laten scholen of participeren, loopt dit ook rond en voor de andere uitkeringsgerechtigden levert het zelfs iets op. Alhoewel de laatste groep wel eens klein kan zijn, omdat iedereen zich graag inzet voor de samenleving. Nieuw voor de financiering zijn de studenten en mensen die zich laten scholen. Daar staan ook baten tegenover, die vaak moeilijk in economische modellen zijn te vangen. Zo zal een attitude op leven-lang-leren en participeren de kansen van een ieder op de arbeidsmarkt vergroten. Uiteraard is het participatie-inkomen voor die groep niet ongelimiteerd. Immers ‘eeuwige studenten’ zijn niet wenselijk en ook van hen mag naar verloop van tijd een wederkerige prestatie voor de samenleving gevraagd worden.

Een aandachtspunt is hoe de bureaucratie van een participatie-inkomen te beperken. Iets van de (ogenschijnlijke) simpelheid van het basisinkomen gaat verloren bij een participatie-inkomen. Daarbij moeten we ons realiseren dat de bestaande regelingen al mogelijkheden bieden om vrijwilligers van de sollicitatieplicht te ontheffen. Maar toch is, met Atkinson, te constateren dat het participatie-inkomen in ieder geval eenvoudiger is dan de huidige sociale zekerheid met inkomens- en vermogenstoetsen. In navolging van de Engelse tax-credit is het mogelijk om mede vanwege de eenvoud een urengrens (van bijvoorbeeld 16 uur) te hanteren. Bovendien ligt het in de rede dat gemeenten, zeker na de decentralisatieoperatie, verantwoordelijk worden voor het toekennen van een participatie-inkomen. Tot slot zullen we moeten beseffen dat een nieuw socialezekerheidsstelsel dat betaalbaar en rechtvaardig is, met afbakeningen en dus met regelgeving gepaard gaat.

Raymond Gradus is hoogleraar bestuur en economie van de publieke en nonprofit sector aan de Vrije Universiteit. Dit artikel is mede gebaseerd op een gezamenlijk artikel van Gradus en Govert Buijs dat eerder in Trouw verscheen.

Afbeeldingsbron: Jeremy Segrott (Flickr Creative Commons)

 

Reacties op dit artikel (8)

  1. Wat gebeurt er met mensen die niet kunnen participeren door een handicap of ouderdom bij het participatie-inkomen? Toch weer een apart systeem voor die mensen??

  2. Prima idee! In de Oostblok landen beproefd en met succes ruim 40 jaar gepraktiseerd. Daar was participatie verplicht in ruil voor zekerheid. Een klein probleempje: men heeft een enorm repressief apparaat nodig om vast te stellen en te monitoren wie participeert en wie niet. En wie het niet doet, mag in de gevangenis, of dood. The devil is the details, so to say.

  3. Uitkeringsgerechtigden die zich laten scholen?? De meeste uitkeringsgerechtigden staan te springen om scholing, maar daar is geen budget voor. De weinige scholing die wordt gegeven is uit eigenbelang van gemeenten zodat mensen met behoud van uitkering of in het kader van social return als gratis personeel ingezet kunnen worden.

  4. Is het christelijk-sociale uitgangspunt van wederkerigheid in solidariteit juist niet het probleem?
    Wat als we erop zouden vertrouwen dat degene die goed ontmoet, vervolgens ook goed doet?
    Denk hierbij aan de indrukwekkende film; Pay it forward.

  5. In feite is het alleen consumptie en koopkracht waar het in de economie om gaat…En uitkeringen dienen dat op peil te houden…Bijstandsuitkeringen behoren tot de beste subsidies die er bestaan: het betekent volledige koopkracht aangezien vrijwel het gehele uitkeringsbedrag weer in de economie wordt terug gestort.
    ‘Participatie-inkomen’ leidt weer tot een vorm van maatschappelijk moralisme waar we juist van af moeten.

  6. Is het volgende een goede variatie op bovenstaande plan. De uitkering is X geld/maand, en dat is Y uren werk/maand waard, afhankelijk van beroep. Mensen met duurzaam een werklozen uitkering, kunnen een baan aangeboden krijgen ergens in de publieke sector, voor precies dat geld. * Een structurele oplossing zou kunnen zijn: elke Nederlander krijgt zijn deel van de Nederlandse grond, als een onvervreembaar recht, de grond mag verhuurd worden. Wie werkloos wordt, kan per definitie iets beginnen, voor eigen winst wat dus motiveert, hoeft niet te bedelen voor uitkering of investeringskapitaal, reduceert bijstandkosten met eventuele winst of komt helemaal uit de uitkering, en kan inzet tonen, is actief en voelt zich een mens ?

  7. Die vermeende onbetaalbaarheid snap ik echt helemaal niets van: Als je uitgaat van bovenstaande rekensom, dan kost het dus 75 miljard om onszelf met z’n allen een cadeautje van 200 miljard te geven. Wie weigert zoiets nou? De vraag zou eerder moeten zijn, hoe is dat mogelijk en het antwoord daarop is simpel, je vervangt een grandioos inefficiënt systeem door iets efficiënts en dan hou je geld over.

    Maar goed er is nog een tekort. Voor een deel van ons vervangt dat cadeautje een eerdere uitkering, maar voor een groot deel niet. Aangezien iedereen dat cadeautje krijgt is het geen probleem om een deel weer terug te halen bij de mensen die het eigenlijk niet nodig hebben, simpelweg via de belasting. Wat resteert is nog steeds winst voor iedereen.

    Blijkbaar hebben veel mensen, zelfs hoogleraren economie een blinde vlek voor het feit dat basisinkomen op twee kanten van de balans staat en niet alleen maar aan de kosten kant.

  8. Het klonk even als een leuke tussenstap, maar na wat overdenken: nee. Zo maak je het weer nodeloos ingewikkeld en haal je nog steeds niet de verlammende druk weg bij de mensen die niet kunnen.

    Wat me het meest raakt is weer dat wantrouwen: geef mensen gratis geld en ze worden lui.
    Waar komt dat vandaan, is dat al eens ergens bewezen?

    Niemand vindt het leuk om nooit iets nuttigs te doen. Binnen ons huidige systeem gaat ‘nuttig zijn’ op aan het invullen van papiertjes, het voldoen aan voorwaarden en het je schuldig voelen over je uitkering. Dan blijft er niet zoveel bandbreedte meer over om nuttig te zijn op de ‘participatie’ toer, zeker niet als je daar ook nog 1001 regels en controles aan vastplakt (‘Als ik de kat van de buren dagelijks eten geef, wordt dat dan gezien als werk of mag ik dat gewoon doen?’).

    Natuurlijk zullen er mensen zijn die een periode gaan niksen. Misschien voorkomen ze zo wel een burn-out of andere hoge medische kosten. Of verzinnen ze in die tijd een briljant ondernemersplan. Of verzorgen ze een medemens, niet zo van kijk mij eens participeren, maar net even buiten het zicht.

    En zelfs als je die uitzondering treft die echt niks wil doen, zijn hele leven lang niet – dan doet die toch nog iets: hij maakt ruimte voor anderen. Want wees eerlijk, mensen die echt niks willen doen, krijgen dat in dit systeem ook wel voor elkaar.

    (Ps, surfen op het strand gaat niet zo best.)

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *