‘Swingen met lokale kracht’

De opkomst van de netwerksamenleving vraagt een fundamenteel andere houding en werkwijze van de overheid. Gezag staat onder druk, burgers zijn eigenwijzer dan ooit, lokale kracht manifesteert zich overal. De enige zinvolle aanpak voor overheden lijkt: meebewegen, swingen met lokale kracht.

Een van de mooiste oneliners van de Rotterdamse hoogleraar transitiemanagement Jan Rotmans is: we leven niet in een tijdperk van verandering maar in een verandering van tijdperk. Wie goed om zich heen kijkt, kan daar inderdaad nauwelijks omheen. Oude systemen – van energie tot zorg – lopen vast in een niet duurzame en daardoor te dure manier van werken. Overheden reageren daar niet altijd adequaat op: soms helemaal niet, vaak te traag, nog vaker met vormen van paniekvoetbal. Burgers op hun beurt zijn niet langer de drager van instituties maar hooguit gebruikers. In de afgelopen decennia van marktwerking zijn ze op het schild gehesen als ‘cliënten’. Ten opzichte van de instellingen voor zorg en welzijn zijn ze zich gaan gedragen als kritische consumenten.

Toch hebben burgers zich niet alléén maar verschanst in een hun opgedrongen consumentisme, veel van hen gaan daarnaast schijnbaar onverstoorbaar hun eigen gang als (co-)producent. Ze preluderen op het falen van de grote, verticale systemen door zelf arrangementen te organiseren. Je ziet dat aan de talloze energiecollectieven, de zorgcoöperaties, de Thomashuizen en andere voorzieningen in eigen beheer, de burenhulpcentrales, de bewonersbedrijven; ze nemen buurthuizen, zwembaden, leeszalen en andere nutsvoorzieningen in eigen beheer. Ze doneren hun geld niet meer aan Oxfam Novib maar beginnen hun eigen schooltje of weeshuis in Zambia of Roemenië.

Kortom: waar enerzijds de overheid en de publieke voorzieningen moeizaam de schaarse collectieve middelen verdelen, bruist anderzijds ons land van de initiatieven. Die komen van onderop, zijn horizontaal georganiseerd en werken volgens het motto ‘Do it ourselves’: collectief en met een sterk ontwikkeld gevoel van eigenaarschap. Ze stralen uit: dat publieke domein, die wereld is van ons, die maken we zelf en daar zijn we trots op.

De beleidsmakers hebben met hun wantrouwen wel een punt

Overheden en maatschappelijke organisaties kunnen daar maar moeilijk mee uit de voeten. Dat heeft er voor een deel mee te maken dat die nieuwe vormen van lokale kracht moeilijk te sturen zijn. Ze laten zich niet inpassen in verstrekkingen en beleidsplannen. Met andere woorden: je kunt er niet op rekenen. Dat laatste vertaalt zich bij veel beleidsmakers in een vorm van wantrouwen. Leuk, al die burgerinitiatieven! Lekker, gereedschapsuitleen en burenhulp via het internet, maar wat heb je eraan als de nood echt aan de man komt?

Daarmee hebben die beleidsmakers wel een punt. Wat betreft massa stellen burgerinitiatieven in bijvoorbeeld de zorg nog niet veel voor, de voorbeelden zijn niet meer dan miniatuurtjes als je ze vergelijkt met de grote zorginstellingen. De dominante logica is nog steeds die van de verticale instellingen.

Een ander veelgehoord bezwaar is, dat zulke initiatieven vooral komen van OSM, ons soort mensen: goedopgeleide, redelijk welgestelde burgers die het goed met de wereld voor hebben maar toch in eerste instantie voor zichzelf zorgen. Hun kunstje wordt bewonderenswaardig gevonden, maar helaas: je kunt het niet herhalen of zorgen dat anderen het herhalen.

Een derde bezwaar hangt daarmee samen. Omdat een blauwdruk voor lokale kracht ontbreekt, zullen op uiteenlopende plekken uiteenlopende initiatieven genomen worden. Dat betekent dat er diversiteit ontstaat. En dat roept terecht de vraag op hoe we dan omgaan met elementaire waarden als kwaliteit en gelijke toegang.

Hoe heerlijk, die veelbelovende alternatieven voor de verzorgingsstaat

Dit zijn nog maar een paar kwesties. Er zijn er meer. Zo wijzen Jan Willem Duyvendak en Evelien Tonkens er terecht op dat zorg overlaten aan burgerkracht in veel gevallen betekent: vrouwen voor het karretje spannen. Het maakt bij elkaar duidelijk dat je niet kritisch genoeg kan zijn op de waarde en betekenis van die lokale kracht. De overheid is nog steeds de belangrijkste waarborg voor rechtvaardigheid, gelijkheid en mogelijk zelfs kwaliteit.

Maar aan de andere kant: hoe heerlijk is het niet dat naast dat krakend en op faillissement afstevenende systeem van de verzorgingsstaat veelbelovende alternatieven opbloeien! En dat zoveel regionale en stedelijke bestuurders blaken van zelfvertrouwen in het vermogen om hun eigen boontjes te doppen, beter dan de rijksoverheid dat kan. Zou het niet van hooghartige waanzin getuigen om deze overvloed te laten lopen?

Te meer daar ook op de prestaties van de verzorgingsstaat best een en ander valt af te dingen. In historisch opzicht is er zelfs veel voor te zeggen dat het meeste initiatief op sociaal terrein altijd al van burgers is gekomen en dat de meeste oplossingen voor sociale problemen regionaal en stedelijk zijn ontwikkeld. De verzorgingsstaat zoals we die de afgelopen decennia hebben leren kennen (met zijn nadruk op dienstverlening waarbij en passant de burger wordt vastgepind in de rol van consument) zou je met enig recht als een historische afwijking kunnen beschouwen.

Paradox bij de overheid

Daarmee ligt levensgroot de vraag op tafel wat de rijksoverheid aan moet met al die druistige, diverse, onvolgroeide, onstuurbare vormen van lokale kracht. Duidelijk moge zijn dat met name het rijk daar tot op heden niet handig mee is. In het essay ‘Swingen met lokale kracht’, wijzen we erop dat er de afgelopen vijftig jaar twee opmerkelijke paradoxen huizen in het optreden van de overheid in het sociale domein. ‘Telkens weer krijgt of neemt ze taken ter hand om die vervolgens zo snel mogelijk weer kwijt te willen. En andersom: telkens als ze taken afstoot, wil ze er zo snel mogelijk weer greep op krijgen. Concrete voorbeelden daarvan zijn de Algemene Bijstandswet, de Welzijnswet, de Sociale vernieuwing, het Grotestedenbeleid en de Wmo. In de kern zijn de redeneringen steeds dezelfde. Bij de uitvoering van sociale taken in de samenleving ontstaat ongelijkheid of doen zich incidenten voor die duiden op een gebrek aan kwaliteit. Pressiegroepen van burgers of de staat zelf achten dat onacceptabel. De overheid is de enige die gelijke toegang en kwaliteit kan garanderen, dus die moet het maar doen. Dan blijkt echter dat de centrale overheid niet het schaalniveau is waar deze taken het best kunnen worden uitgevoerd, maar dat bijvoorbeeld gemeenten (‘dicht bij de burger’) – of in voorkomende gevallen de markt of zelfstandige bestuursorganen – daartoe beter in staat zijn. Dus worden er wetten gemaakt of regelingen getroffen die functionele of territoriale decentralisatie van die taken mogelijk moeten maken. Maar nog voor die goed en wel decentraal worden uitgevoerd, dreigen zich toch problemen voor te doen (ongelijkheid of slechte kwaliteit) die door middel van recentralisatie moeten worden opgeheven.’

Wie uit deze vicieuze cirkel wil treden, vervalt al gauw in een soort radicalisme op basis van Verelendung: we laten het gewoon uit onze handen vallen, dan raapt de burger het wel weer op. Loslaten? Terugtreden? Over de schutting gooien? Het lijkt allemaal sterk op elkaar en het valt niet mee een wijs midden te vinden. Dat heeft er uiteraard mee te maken dat de vorming van de verzorgingsstaat een proces was van decennia, dat gaandeweg diep ingesleten patronen heeft gevormd in het maatschappelijk functioneren van overheid, instellingen en burgers. Bovendien hebben zich intussen historische en demografische processen afgespeeld die onomkeerbaar zijn, denk aan de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen en de afname van familiebanden door de toegenomen mobiliteit. Terug in de geschiedenis gaat niet: we moeten voort. Loslaten en terugtreden kan goed gaan, maar het kan ook heel verkeerd aflopen. Blind gokken op de goede afloop is als pokeren over de ruggen van kwetsbaren.

Swingen of meebewegen met lokale kracht is een beter idee

Meebewegen met lokale kracht is een beter idee, of liever gezegd: swingen, met een knipoog naar het meesterwerk van Hans Boutellier, de Improvisatiemaatschappij. Dat swingen is een uitgekiende mix van respect, waardering, aanmoediging, ruimte geven, toekijken maar op zijn tijd ook de andere kant op kijken (willen we alles weten?). Wat er ook niet mag ontbreken is stevige handhaving op zijn tijd.

Immers: swingen moet, maar er zitten voor de overheid wel grenzen aan. De overheid dient zich wel tot de netwerksamenleving te verhouden, daarvoor is geen alternatief. De overheid is echter niet de netwerksamenleving. Sterker nog: misschien is de overheid in de zich ontwikkelende samenleving wel de enige plek waar nou net wél regels, wetten en democratische controle gelden. Dat maakt de overheid evenmin de baas van de netwerksamenleving – die heeft immers per definitie geen centrum van waaruit sturing plaatsvindt, hooguit hubs of knooppunten.

Kortom: dat wordt een beetje houterig swingen, maar dat is nog altijd te verkiezen boven het negeren van de netwerksamenleving of elke poging om er toch de baas over te willen zijn.

Nico de Boer is onderzoeker, beleidschrijver en publicist. Albertine van Diepen is senior adviseur en plaatsvervangend  secretaris van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Lucas Meijs is hoogleraar ‘Strategische Filantropie & Vrijwilligerswerk’ aan de Erasmus Universiteit en lid van de RMO.

 

Dit artikel is een bewerking van de inleiding die Nico de Boer op 11 juli 2013 in Eindhoven hield bij de overhandiging aan burgemeester Rob van Gijzel van het essay ‘Swingen met lokale kracht – overheden en de netwerksamenleving’ dat de auteurs schreven in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Dat essay is hier te downloaden.

Dit artikel is 539 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Het is een mooi en evenwichtig essay dat ik zeker aan mijn studenten zal laten lezen. Maar ik vraag me ook af of de eerste twee bezwaren van beleidsmakers wel echt de aandacht krijgen die ze verdienen: het heeft geen massa en is vooral voor ons soort mensen. Deze bezwaren noemen en als terecht bestempelen bewijst dat de schrijvers de nuance blijven zien, maar het is ook iets te gemakkelijk om ze daarna niet van een oplossing te voorzien. Ik bespeur bij de RMO steeds vaker een soort fatalisme (ach, de wereld is nu eenmaal oneerlijk en niet maakbaar) dat tot een andere conclusie zou moeten leiden, nl. radicale lastenverlichting. Als de verzorgingsstaat niet werkt, houdt dan op gezonde werkende mensen ervoor te laten betalen. Dat zou niet mijn oplossing zijn, maar het is wel consequent.

    Of we moeten een heel andere richting gaan verkennen, en toch maar eens hard durven ingrijpen in de instituties van de verzorgingsstaat zelf. Niet alleen de mensen die boven de balkenende norm verdienen namen en shamen, maar alle salarissen limiteren op schaal 11. Werk maken van zorg in natura, in plaats van het ‘keukentafel’gesprek vooral in te zetten als een manier om nee te zeggen tegen burgers die na jaren aanmodderen eindelijk eens een vraag durven voorleggen.
    De huidige discussie blijft teveel hangen in ‘minder overheid, meer burgers’, zelfs als we die moderniseren tot ‘we doen het samen en de overheid swingt mee’. Dat geeft nog steeds geen massa en geen zorg voor de kwijnende, zwijgende meerderheid.
    Ook de historische onderbouwing mag wel wat meer in evenwicht. Iedereen mag graag vertellen hoe onze instituties vooraf gegaan zijn door particuliere initiatieven, maar we verzwijgen dat we ook maar wat graag af wilden van de schaamte die charitas veroorzaakte bij de mensen die door welvarende burgers geholpen werden.

    Kortom, we hebben een betere verzorgingsstaat nodig, en een veel goedkopere. Wees blij met elk burgerinitiatief en swing lekker mee, maar denk niet dat het over drie, dertien of dertig jaar wel massa heeft en anderen bereikt dan ons soort mensen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *