COLUMN Autisme en pesten, niet onvermijdelijk, wel schadelijk

Het is weer de week tegen pesten en het blijft goed om daar aandacht aan te besteden. Pesten treft veel mensen, niet alleen kinderen. Het komt voor op scholen, in sportclubs, in buurten, in families, op het werk, tot en met in bejaardentehuizen -pardon verzorgingsinstellingen. Mensen die gepest worden lopen daarvan niet zelden een stevige knauw op. We zijn immers sociale wezens, we willen ‘erbij horen’. Niet omdat dat gezelliger is, maar omdat we er in ons functioneren van afhankelijk zijn.

Ons zelfbeeld wordt mede bepaald door hoe anderen over ons denken, en iedereen die nu beweert dat je je daarvan niets moet aantrekken, heeft er niks van begrepen. Pesten komt immers vooral voor in omgevingen waarvan je niet zomaar weg kunt lopen, je moet elke dag opnieuw naar school of naar je werk. Je kunt van sport of clubje af, maar dan ben je wel alleen. Gepest worden ondermijnt je zelfbeeld, maar ook je hele mogelijkheid tot ontwikkelen en functioneren, omdat dat steeds in een sociale context plaatsvindt. Wie we zijn lezen we af aan de reacties van anderen.

Autisme en pesten

Volgens onderzoek lopen mensen met autisme een vier keer hogere kans om slachtoffer te worden van pesten. Dat lijkt me nog een voorzichtige schatting, ik ken wel een paar autisten die nooit gepest zijn, maar veel zijn het er niet. Dit geldt voor pesten op scholen, maar ook op het werk.

Dat autisten vaak slachtoffer zijn van pesten, wordt vaak geweten aan sociale onhandigheid. Sterker nog, in de huidige definities van autisme (volgens de DSM 5, hét handboek van de psychiatrie) wordt autisme onder meer gekenmerkt door problemen in de sociale communicatie en sociale interactie. De kernsymptomen van autisme zijn ‘Deficiënties in de wederkerigheid, in de non-verbale communicatie en in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties’. Daarbij wordt vaak gesteld dat autisten problemen hebben met het inschatten van het standpunt en de gedachten van anderen (dit wordt een beperkte Theory of Mind genoemd) en dat autisten moeite hebben met empathie.

Zo bezien is autisme in zijn diepste wezen een sociaal disfunctioneren en dé potentiële bron van slachtofferschap van pesten en sociale uitsluiting. Geen wonder dat anti-pestprogramma’s, voor zover ze überhaupt aandacht hebben voor autisten, zich voornamelijk richten op het aanleren of verbeteren van sociale vaardigheden van het slachtoffer.

Maar klopt dit wel?

Een belangrijk misverstand (dat zo hardnekkig is omdat het iedereen beter uitkomt) is dat pesten wordt veroorzaakt of verklaard kan worden vanuit eigenschappen van het slachtoffer. Dat lijkt logisch, maar toch klopt het niet. Niet alle dikke mensen worden gepest. Zelfs niet alle autisten worden gepest. Het blijkt enorm van de groep en de kwaliteit van de sociale omgeving af te hangen of pesten ontstaat. Pesten komt voort uit spanningen en gevoelens van sociale onveiligheid en afwezigheid van positief leiderschap (bijvoorbeeld in een nieuwe klas in een nieuw schooljaar, bij wisseling van leerkrachten, of in een bedrijf met een angstcultuur). Een normale, gezonde sociale groep is redelijk horizontaal en streeft naar harmonie. Spanningen en onveiligheid maken dat mensen op zoek gaan naar bondgenoten én naar een zondebok, een bliksemafleider. Gezamenlijk optreden tegen een ‘vijand’ geeft een gevoel van macht en saamhorigheid.

De behoefte aan pesten ontstaat dus vanuit de spanning en het slachtoffer wordt erbij gezocht. Het kind of de medewerker met de minste vrienden en de grootste onzekerheid is daarvoor het ideale mikpunt. Vervolgens wordt het excuus erbij bedacht: hij is homo, zwart, lang, zij heeft flaporen, andere kleren of een ander accent, of is ‘anders’, bijvoorbeeld vanwege autisme. Omdat iedereen dit steeds herhaalt (en in de samenleving vaak dezelfde patronen van uitsluiting voorkomen) wordt aannemelijk gemaakt dat het pesten logisch is, omdat het slachtoffer anders is en het niet verdient om met respect behandeld te worden. Het slachtoffer gaat dit, omdat de boodschap telkens herhaald wordt en in tientallen mini-agressies dagelijks terugkomt, geloven.

Het pesten is niet normaal

Maar pesten zelf is géén normaal gedrag. Dat weet iedereen: het is niét oké om een ander te treiteren, uit te lachen, te beschadigen, spullen kapot te maken, spottende bijnamen te geven. En wie zijn het die pesten? Meestal niét de autistische kinderen of medewerkers, maar de niet-autisten oftewel neurotypische mensen. Hun pestgedrag wordt echter nergens beschreven als afwijkend, als deficiëntie in sociale communicatie, als een gebrek aan empathie, als een probleem in de sociale wederkerigheid. Neurotypische mensen zijn de norm en zo kan pesten een van de meest hardnekkige sociale deficiënties blijven waarbij de slachtoffers als verklaring, ja zelfs als oorzaak worden gezien.

Dat is schadelijk voor de slachtoffers, maar ook voor de groep als geheel. Pesten is immers symptoom van een sociale onveiligheid die in wezen voor alle betrokkenen ongezond is. Dat betekent ook dat pesten er ‘niet bij hoort’ maar als probleem van de sociale omgeving moet worden aangepakt door degenen die op het werk of op school verantwoordelijk zijn.

Autisten zijn ánders

Maar autisten zíjn toch anders, denk je nu. Dat klopt. Zij ervaren de wereld op een fundamenteel andere manier. Deze manier wordt door niet-autisten maar slecht (of helemaal niet) begrepen. Het gebrek aan ‘theory of mind’ is daarom een wederzijds probleem, tussen autisten en niet-autisten, betoogt de Britse ontwikkelingspsycholoog dr. Damian Milton. Het blijkt bovendien dat autisten onderling elkaar prima begrijpen, net als niet-autisten. De misverstanden ontstaan tussen de groepen, waarbij autisten in een dagelijkse setting vaak een minderheid zijn of alleen staan, terwijl de neurotypische sociale groep in de meerderheid is, definitiemacht heeft over hun eigen superioriteit en vanuit de stigmatiserende omschrijvingen van autisme in de DSM nog eens bevestigd worden in hun onbegrip en pestgedrag.

Autisme is in zijn diepste wezen een andere manier van informatieverwerking. Om te beginnen is er veel minder sprake van een filter in geluiden, geuren, beelden: alles komt even hard binnen. Er is daarom al snel sprake van overprikkeling, zeker op scholen of op het werk. Vanuit overprikkeling ontstaat dan gedrag dat als ‘anders’ wordt aangemerkt maar wat geen reden is om te gaan pesten - eerder zou er begrip voor moeten zijn bij de groep mensen aan wie zoveel empathie wordt toegedicht.

De informatie wordt niet op standaardmanieren verwerkt, zoals bij neurotypici, maar via andere denksystemen. Hierdoor ontstaan juist nieuwe ideeën, of bouwen ze een indrukwekkende hoeveelheid kennis op over één onderwerp. Maar juist door de overload aan informatie en de andere verwerking, kunnen zij moeilijker schakelen tussen de systemen, tussen verschillende soorten input.

Je ziet bij autisten daarom vaak een focus op een bepaald onderwerp, maar ook een enorm gevoel van rechtvaardigheid, eerlijkheid en medeleven voor anderen. Het zijn de autistische kinderen die als eerste in de gaten hebben dat juf eigenlijk heel verdrietig is (en daardoor enorm uit hun doen zijn). Het zijn de autisten die benoemen dat bepaald gedrag onrechtvaardig is of ronduit verkeerd, waarbij ze de sociale norm van de neurotypische groep niet kennen, even over het hoofd zien of zelfs expliciet ondergeschikt vinden aan universele waarden- denk hierbij aan Greta Thunberg.

Koester je autisten

Dat de neurotypische groep dit niet altijd kan waarderen is begrijpelijk vanuit de eigen groepsdynamiek en -belangen, maar daarmee nog niet gerechtvaardigd. Waar zouden we zijn zonder kunstenaars, zonder wetenschappers en zonder meisjes die roepen dat wereldleiders falen in de bescherming van ons klimaat? Autisten kunnen, juist vanuit hun andere manier van informatieverwerking, een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de sociale omgeving, indien hun veiligheid en het begrip voor hun anders-zijn gewaarborgd worden door positief leiderschap en werkelijke kennis van autisme. Koester ze.

Mieke van Stigt is socioloog en pedagoog.

 

Foto: Japheth Mast via Unsplash

Dit artikel is 4797 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (5)

  1. Hoe zit het eigenlijk met narcistische autisten? Je schrijft hier dat autisten vaak zo medelevend zijn, maar ik ken er tenminste een paar die vooral heel erg en áltijd met zichzelf bezig zijn, daarbij schermend met hun autisme. Of is narcisme juist een onderdeel van autisme omdat autisten op één ding (in dit geval zichzelf) gefocust kunnen zijn?

  2. Wat een krachtig artikel, dat pesten koppelt aan de groep als geheel en aan de cultuur van die groep. ‘De behoefte aan pesten ontstaat vanuit spanning en het slachtoffer wordt erbij gezocht’. Heel boeiend om pesten te benoemen als een symptoom van ‘sociale onveiligheid’. Dank voor deze inzichten, die volgens mij niet alleen voor (contact met) mensen met autisme relevant zijn!

  3. Beste Elise, dank voor je vraag. Het is wel een complexe vraag, want om te beginnen is autisme niet hetzelfde als narcisme, ook niet als de autistische persoon heel erg met zichzelf bezig is. Een verklaring voor dit laatste moet eerder gezocht worden in overprikkeling en overbelasting en vooral onbegrip vanuit de omgeving, die klaar staat met een oordeel (teveel met zichzelf bezig) en niet openstaat voor een verklaring (ik heb last van mijn autisme). De communicatie verloopt dan van twee kanten stroef. Het is voor mensen met autisme niet makkelijk om voorbij de weerstand van neurotypici te komen, zeker niet als deze al met hun oordelen klaar staan, en het is dan ook logisch dat vanuit die overvraging en overprikkeling iemand een hele kluif heeft aan zichzelf en de situatie, of zelfs afhaakt. Wanneer je meer openstaat voor de behoeften van die persoon (zoek een rustige omgeving op, kijk of je prikkels kunt wegnemen of bouw meer rust in in het programma), zul je merken dat ook deze mensen enorm behoefte hebben aan contact en het tonen (wellicht op een onhandige manier) van medeleven. Je moet het wel willen horen en zien.
    Dan de echte narcisten, dit zijn vrijwel nooit autisten, al bestaat er wel overlap (maar er zijn dus veel meer niet-autistische narcisten). Kenmerk is dat ze de ander manipuleren. Ze zijn uit op het bereiken van hun eigen doel, ten koste van anderen, door te liegen, bedriegen en niet consistent zijn. Autisten zijn enorm eerlijk en vrijwel altijd constistent, vanuit hun eigen denksysteem. Dat systeem kan heel rigide zijn, maar consistent is het wel, kwaadaardig vrijwel nooit.
    Met name autistische jongens en mannen kunnen erg op zichzelf zijn en weinig oog lijken te hebben voor de behoeften van anderen. Deels is dit omdat ze nooit geleerd hebben hoe ze dat moeten doen. Wanneer je je behoeften duidelijk en concreet maakt en de ander de tijd geeft om te wennen aan het idee en het te verwerken met alle andere indrukken en verwachtingen, zul je merken dat de goede wil er wel is.

  4. Dank je wel voor je antwoord. Ik zeg ook niet dat alle autisten narcisten zijn, in dit geval betreft het trouwens vooral een vrouw, geen man.
    Consistent, dat klopt wel. Ik probeer het te begrijpen en probeer juist begrip te hebben, maar soms valt dat zwaar als het maar van één kant lijkt te komen. (Lijkt!)
    Nogmaals bedankt voor je uitgebreide reactie.

  5. Beste Marian, dank voor je compliment! In mijn boek Alles over Pesten (uitgeverij Boom, 2014) geef ik een bredere toelichting op pesten als groepsprobleem, het zal je vast aanspreken!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *