Lessen uit de crisis voor zorg, onderwijs en welzijn

Wat zijn de  lessen van de kredietcrisis voor andere maatschappelijke sectoren? In zijn advies Tegenkracht organiseren. Lessen uit de kredietcrisis vraagt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling zich af of de, voor de financiële sector zo kenmerkende, omslag van productieve werkwijzen naar perverse uitkomsten ook voor andere maatschappelijke sectoren geldt.

Vanzelfsprekende en productieve werkwijzen hebben in de financiële sector een ontwrichtende uitwerking gehad. De kredietcrisis in de financiële sector liet ons zien dat bonussen en de verstrekking van hypotheken in de VS lange tijd uitermate winstgevend waren, maar gaandeweg leidden tot perverse resultaten en tot een crisis die nog steeds voortduurt.

Het verstrekken van bonussen aan medewerkers begon met uitermate goede intenties en was zelfs gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Het gaf een prikkel én een beloning aan medewerkers die winst voor een financiële instelling maakten. En mensen met weinig kredietwaardigheid konden in de hoogtijdagen van de huizenmarkt toch aan een hypotheek komen.

Inmiddels weten we dat zowel de bonuscultuur als het te gemakkelijk verstrekken van risicovolle hypotheken heeft bijgedragen aan de crisis in de financiële sector. Kijkend naar deze en andere werkwijzen in de financiële sector (bijvoorbeeld de manier waarop risicoprofielen werden toegepast) signaleren we een drietal zaken die de omslag van productief naar pervers mogelijk maakten.

Ten eerste blijkt telkens weer dat goede bedoelingen kunnen falen. De oorspronkelijke doelen raken uit beeld omdat andere doelen (bijvoorbeeld veel winst of het voortbestaan van de organisatie) voorrang krijgen op doelen die zich richten op kwalitatieve dienstverlening aan cliënten of consumenten.

Ten tweede blijkt dat financiële prikkels de verkeerde uitwerking hebben, omdat zij het gedrag belonen dat het functioneren van organisaties en uiteindelijk van een hele sector sterk ondermijnt.

Een derde observatie die relevant is bij de overgang van productief naar pervers is de wijze waarop classificaties leiden tot vereenzelviging: een klant wordt vereenzelvigd met een risicoprofiel, en verdwijnt daardoor uit beeld.

Gelijkenissen tussen sectoren
Deze observaties zijn door te trekken naar andere maatschappelijke sectoren, waar men zich ook bewust moet zijn van vergelijkbare perverse uitkomsten.

Neem bijvoorbeeld de Hbo-sector. Met goede bedoelingen – de student naar een diploma begeleiden, de eigen instelling financieel gezond houden – werden vanwege de productiviteit recent bij verschillende opleidingen alternatieve afstudeertrajecten opgezet. Maar, de prikkel om diploma’s af te leveren bleek uiteindelijk groter dan het borgen van kwaliteit.

Een ander voorbeeld zijn de Cito-toets in het primair onderwijs, een leerlingvolgsysteem, met de bekende eindtoets in groep 8. En uitermate succesvol, want leerlingen zijn daardoor minder afhankelijk van het subjectieve oordeel van de leerkracht. Maar Citoscores kunnen ook pervers uitwerken wanneer er te nadrukkelijk op gestuurd wordt. Denk bijvoorbeeld aan uitgeverijen die adverteren met methoden die kinderen optimaal voorbereiden op de Citotoets. Of wanneer de kwaliteit van een docent of school enkel wordt afgemeten aan de scores. Dan kan de kwaliteit van de school ondergeschikt worden aan de methode.

Ook in de zorg kunnen financiële prikkels pervers uitpakken. Zo is de indicatiestelling in de thuiszorg een productieve manier gebleken om de zorgbehoefte en financiering op elkaar af te stemmen. Tegelijkertijd blijkt de manier waarop de indicatiestelling de zorg ‘opknipt’ in zorgfuncties met elk hun eigen budget soms perverse effecten op te roepen. Het is lastig om zorg te verlenen die buiten de geïndiceerde handelingen valt (betrokkenheid, de aandacht van mens tot mens) en het systeem stimuleert eerder budgetuitputting dan zuinigheid. In het slechtste geval kan dat ertoe leiden dat er onvoldoende garanties zijn dat een cliënt optimale zorg krijgt.

Verklaringen voor perversiteit
Waarom genereren productieve werkwijzen gaandeweg perverse uitkomsten? Volgens de RMO schuilt een verklaring in het ontkennen van het gegeven dat de werkelijkheid complex en meervoudig en is en daardoor niet eenvoudig te benaderen. Een doel van veel werkwijzen is het reduceren en beheersbaar maken van complexiteit. Begrijpelijk, maar dat slaat de werkelijkheid soms ten onrechte plat.

Meervoudigheid uit zich in de praktijk op verschillende manieren. Zo hebben organisaties en sectoren zowel een externe publieke functie, gericht op het welzijn van de cliënt (de patiënt, leerling/student, de naar financiële zekerheid zoekende burger, enz.), alsook een interne functie die gericht is op het voortbestaan van een organisatie of sector zelf. Zulke belangen kunnen uit elkaar gaan lopen.

Om aan deze meervoudige belangen tegemoet te komen en om ze te beheersen, zijn in de verschillende domeinen allerlei instrumenten en werkwijzen gekozen: hypotheekverstrekking op basis van risicoprofielen, indicatiestelling op basis van objectieve criteria, schooltoetsen die het kind kunnen classificeren, enzovoort. Perverse uitkomsten ontstaan wanneer deze werkwijzen de meervoudige werkelijkheid te veel proberen in te dammen.

Perversiteit in drie stappen
Perversiteit verloopt langs een patroon van drie stappen: abstraheren, domineren, strategisch handelen. Bij de eerste stap zien we dat de werkelijkheid wordt vereenvoudigd tot model. Financiële instellingen drukken hun cliënten uit in risicoprofielen, het onderwijs stelt leerlingen soms gelijk aan hun Citoscore en de zorg stelt cliënten langzaamaan gelijk aan hun indicatiestelling.

Abstraheren is nuttig, want daardoor is het mogelijk te communiceren over een case. De perversiteit begint wanneer het abstraheren de werkelijkheid ook volledig gaat vertegenwoordigen en domineren. In tweede stap van het patroon domineert een enkelvoudig belang, en komt de meervoudigheid onder druk te staan. Met als gevolg een vermindering van de beschikbare ruimte voor tegenspraak of kritisch vermogen en risico’s op kuddegedrag.

Vrijwel niets staat mensen, organisaties en sectoren dan nog in de weg om de derde stap te nemen: men gaat zich richten naar het dominante belang en handelt strategisch. Men gaat zich om opportunistische redenen voegen naar de kaders van het systeem. Zo richtten de hbo-instellingen de afstudeertrajecten zo in dat studenten hun diploma’s konden behalen. Van sommige basisscholen is bekend dat zij zwakke leerlingen niet laten deelnemen aan de Cito-toets. In het geval van de bonussen in de financiële sector draaide het om het rendement, maar had men geen oog voor de risico’s. Er ontstaat op den duur een situatie van ‘survival of the fitting’ in plaats van ‘survival of the fittest’. Niet de organisaties die het beste aan de vraag van klant of cliënt voldoen overleven, maar degenen die zich het best aanpassen aan het gestelde kader, van financier, inspectie of monitor.

Organisaties en sectoren belanden zo in een situatie die lijkt op die van gekookte kikker: het water in de pan warmt zo langzaam op dat het dier zijn dood ongemerkt tegemoet gaat. Zo lang het goed gaat, is er geen reden to zorg, zo lijkt het. In sommige sectoren is zelfkritiek zelfs ongewenst, is men bijna immuun voor andere zienswijzen en kan kuddegedrag overheersen.

Tegenkracht organiseren
Om dat te voorkomen is voortdurende tegenkracht nodig. Allereerst is het verstandig te waken voor methodische armoede, en verschillende methoden toe te staan, zodat ze met elkaar vergeleken kunnen worden, met elkaar kunnen concurreren en vraagtekens bij elkaar oproepen. Vaak is dat lastig omdat aan één bepaalde werkwijze ook financiering is gekoppeld. Dat zou zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. De overheid kan daaraan bijdragen door altijd verschillende werkwijzen toe te staan en ook aan verschillende oplossingen of organisaties financiering toe te kennen. Bijvoorbeeld in het geval van aanbestedingstrajecten.

Ten tweede is het nodig om systemen ter discussie stellen, ook al lijken zij soms in beton gegoten. Dat is een oproep aan bestuurders in maatschappelijke sectoren om in hun organisatie kritische geluiden te belonen en het leren van fouten mogelijk te maken. Kritiek is ook actief te organiseren, bijvoorbeeld door cliënten en stakeholders nadrukkelijk invloed te geven. Vaak klinkt er als een reflex de roep om meer toezicht, maar daarmee voorkom je geen fouten. Daarom pleiten wij liever voor ander toezicht: het laten horen van andere geluiden en zwakke belangen.

Het gaat er erom voortdurend tegenkracht te organiseren, ook als het goed gaat.

Lotte van Vliet en Rienk Janssens zijn adviseur en algemeen secretaris van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Het advies Tegenkracht organiseren is te downloaden via www.adviesorgaan-rmo.nl 

Dit artikel is 1476 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (4)

  1. Een belangrijke bron van perversiteiten is de ons ingeramde logica dat ‘als je je aan de regels houdt dingen goed gaan’. Een perversiteit gaf ik daarom als definitie ‘het toepassen van een op zich logische of legitieme regel in een situatie waar deze niet (meer) past’.
    Door maatschappelijke ontwikkelingen nam het aantal perversiteiten fors toe.
    Ons land staat daarom inmiddels stijf van de perversiteiten en dat is een belangrijke, maar niet herkende oorzaak van veel niet begrepen onvrede in onze huidige samenleving. Zie verder Google: Flink de P in.
    Dit artikel sluit hier goed op aan.

  2. Het rapport bevat een mooie analyse van de perverse effecten van eenzijdig sturen op prestaties maar is helaas niet scherp en concreet over hoe je dat bijstuurt. Valkuil van het verhaal is de vlucht in het blijven verbreden en verfijnen van sturingsinstrumenten onder de noemer ‘meervoudige sturing’. De crux zit in de moraliteit van managers en bestuurders.
    Vegt meer aandacht voor het morele kompas dat de publieke sector helpt de fixatie op geld, prestige en snel scoren bij te sturen. Zie mijn blog voor een uitwerking daarvan: http://bit.ly/zTq29f

  3. Met het CITO is het al veel erger gesteld. Zij hebben een commerciele tak ontwikkeld, waar kinderen kunnen trainen voor de (onafhankelijke???) CITO toetsen. Deze tak heet Squla, en kost 9,95 Euro per maand per kind.

  4. Het zou een mooie uitdaging zijn om de aanbevelingen over tegenkrachten op pg. 55 eens op twee manieren tegen het licht te houden. In de eerste plaats impliceert het advies, dat er mèt tegenkrachten geen perversies zouden optreden (anders hoef je niet te adviseren dat er tegenkracht nodig is). En dat zou weer impliceren, dat er vòòr de krisis geen tegenkrachten waren. Ik weet dat dat onzin is. Zowel tegen de perversies in de financiële wereld als tegen die in onderwijs en zorg waren er altijd prima tegenkrachten. En – niet in het boek, maar daar weet ik toevallig iets van – zowel bij de Schiedammer Parkmoord als bij de aanschaf en verbouwing van de SS Rotterdam waren er sterke, verstandige, gedocumenteerde tegenkrachten. Probleem is alleen, dat de systeemwereld altijd een reden weet om daar niet naar te luisteren.
    Tweede interessante toepassing van de tips op pg. 55 zou zijn, deze eens toe te passen op het ‘systeem’ RMO. Daar geldt wel ongeveer hetzelfde. Ook hier is sprake van bolwerkvorming, waar hooggeleerde bestuurskundigen en andere niet meer altijd zo heel Frissen vasthouden aan probleemanalyses en oplossingsrichtingen waar veel op aan te merken is. Maar de wil om te leren van buitenstaanders is niet zo groot als-ie volgens de eigen richtlijnen zou moeten zijn. Als je anno 2012 nog een paragraaf wijdt aan ‘serendipiteit’, dan roept dat bij mij associaties op aan bruin terlenka ribbroeken met een oranje spencer, maar krijg ik niet het beeld dat we nu weten hoe we kunnen zorgen dat de publieke sector weer een sector wordt die werkt voor publiek, in plaats van een systeem dat werkt met publiek geld en een interessant studieobject voor met even publiek geld gefinancierde wetenschappers.

    Uw tegenkracht zit in de startblokken …

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *