Niet alleen opsluiten maar ook behandelen helpt criminele jongeren

Het uitgangspunt van de jeugdzorg anno 2014/2015 is dat jongeren met (ernstige) gedragsproblemen kunnen leren participeren in de Nederlandse samenleving. Gaat dit ook op voor delinquente jongeren in de Justitiële Jeugdinrichtingen? Waarschijnlijk wel, maar zeker weten doen we het nog niet.

Tot voor kort was de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) voornamelijk gericht op het opsluiten van jongeren zonder hen zinvolle behandeling of activiteiten aan te bieden (warehousing prisoners). De ‘traditionele’ benadering, waarin veiligheid en beheersing voorop stonden, leidde niet tot vermindering van de recidive. Integendeel, crimineel gedrag werd er waarschijnlijk eerder door bevorderd dan ontmoedigd (Spelman, 2000). Onder de toenmalige staatssecretaris van Justitie, Nehabat Albayrak, kwam er vanaf 2007 in de forensische behandeling meer aandacht voor individuele criminogene factoren, zoals behandeling van mentale stoornissen, maar de sociale context werd nog niet als cruciale factor onderkend.

Verlof om een stevige joint te roken of om werk te vinden

Het duurde even voordat de bevindingen van internationaal effectiviteitsonderzoek van Andrews en Bonta (2010) en Souverein en anderen ( 2013) hun weg naar de praktijk vonden. In het kort komen de conclusies van dergelijk onderzoek erop neer dat vermindering van recidive afhankelijk is van het opbouwen van een goede werkalliantie met de jongeren (leef- en leerklimaat), het versterken van de behandelmotivatie, het geven van passende zorg en behandeling (op maat) en van het bieden van perspectief (scholing en arbeidstoeleiding). De belangrijkste conclusie is dat dit alles moet worden aangeboden binnen de context van de cliënt. Uitgebreide meta-analyses hebben laten zien dat een dergelijke aanpak de recidive met 35 procent kan verlagen (Andrews & Bonta, 2010).

Inmiddels hebben sommige Justitiële Jeugdinrichtingen op basis van de bevindingen van Andrews en Bonta en Souverein en anderen hun behandeling aangepast. Zo hebben ze onder meer het verlof zodanig ingericht dat het de jongere vooral een gelegenheid biedt om vooraf gestelde doelen te realiseren op het gebied van bijvoorbeeld scholing of werk. En, niet geheel onbelangrijk, de JJI begeleidt de jongere daar tijdens zijn verlof bij en ziet er ook op toe dat gestelde doelen worden behaald. Verder laten sommige inrichtingen jongeren buiten de poorten naar school of werk gaan en werken weer anderen nauw samen met ouders (gezinshulp) en/of de wijk.

Eerst kijken wat er al is en dan proeftuintjes opzetten

De vraag is of deze en andere ervaringen en initiatieven voldoende basis vormen voor een verdere uitbouw van een nieuwe manier van werken in de JJI die én de jongere en zijn omgeving centraal zet én parallel loopt met de algehele transformatie van de jeugdzorg. Vanwege het gebrek aan onderzoek naar de precieze effecten van een nieuwe aanpak is voorzichtigheid bij beantwoording van deze vraag geboden, maar de maatschappelijke urgentie van het probleem (hoge sociale en financiële kosten) vraagt om oplossingen.

Elk antwoord moet beginnen met de observatie dat er geen ‘snelle’ en ‘simpele’ oplossingen bestaan voor complexe maatschappelijke problemen en dat het verstandig is om eerst te kijken naar wat onderzoek ons vertelt over wat werkt. In dit verband zouden proeftuintjes moeten worden ingericht. Als een jongere ontvankelijk is voor gedragsverbetering en gemotiveerd is voor een aanpak met minder beperkingen en meer ontwikkelingskansen, dan kan hij onder opschortende voorwaarden worden overgebracht naar een beperkt beveiligde kleinschalige woonomgeving, waar pedagogische medewerkers voor begeleiding zorgen. Van daaruit volgt de jongere een geïntegreerd dagprogramma van therapie, verslavingszorg, scholing, stage of werk en blijft hij contact houden met ouders en prosociale leeftijdgenoten. Dit netwerk blijft in stand, ook nadat de jongere zijn straf heeft uitgediend. Wanneer de jongere zich niet aan de opschortende voorwaarden houdt, gaat hij terug naar de JJI.

Grootschalige instellingen moeten taboe zijn

De voorgestelde proeftuintjes, zorgvuldig gemonitord en nauwkeurig onderzocht, moeten in beeld brengen hoe de ontwikkeling naar kleinschalige, en vaak buurtgebonden, voorzieningen tot stand gebracht kan worden. De bedoeling is dat de JJI samen met ‘de wereld buiten’ een leef- leer- en werkklimaat kan creëren dat gekenmerkt wordt door nauw onderling contact, vertrouwen en perspectief. Een dergelijke oplossing voor ‘moeilijke’ jongeren lijkt op de langere termijn goedkoper voor de samenleving dan het grootschalig opsluiten van jongeren ver weg van de eigen leefomgeving (Andrews & Bonta, 2010; Lipsey, 2009; Spelman, 2000).

Als de beleidsmakers, wetenschappers en instellingen het momentum – de transformatie van de jeugdzorg - benutten, dan kan de Justitiële Jeugdinrichting van morgen een effectief instrument zijn om de jeugdcriminaliteit aan te pakken. Dat kan als de JJI opvoeding, behandeling, zorg en veiligheid aanbiedt vanuit een samenlevingsperspectief. Wat niet zou moeten gebeuren, is dat kleinschalige inrichtingen, zoals Amsterbaken en Eikestein, worden gesloten en opgaan in grotere eenheden. Spelman heeft er al voor gewaarschuwd: schaalvergroting ontmoedigt crimineel gedrag waarschijnlijk niet; het wordt er eerder door bevorderd, waarschijnlijk door het onpersoonlijke karakter, de anonimiteit en repressie die het met zich meebrengt (Souverein et al., 2013). Alle reden dus om verdere schaalvergroting van Justitiële Jeugdinrichtingen ten enen male af te wijzen.

Geert Jan Stams is hoogleraar Forensische Orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam en Peer van der Helm is associate lector aan de Hogeschool Leiden.

 

Literatuur

Andrews, D. A., & Bonta, J. (2010). The psychology of criminal conduct (5th ed.). Cincinnati, OH: Anderson.
Lipsey, M. W (2009). The primary Factors that Characterize Effective Interventions with Juvenile Offenders. A Meta-Analytic Overview. Victims and Offenders, 4, 124-147.
Souverein, F.A., Van der Helm, G.H.P., & Stams, G.J.J.M., (2013). Nothing works in secure residential youth care? Children and Youth Services Review, 35, 1941-1945. Doi.org/10.1016/j.childyouth.2013.09.010.
Spelman, W. (2000). What Recent Studies Do (and Don’t) Tell Us About Imprisonment and Crime. Crime and Justice, 27, 419-439.

 

Dit artikel is 2272 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik denk dat de meeste criminele jongeren helemaal niet zitten te wachten op ondersteuning en dit net zo repressief zullen ervaren als gevangen zijn (het is immers niet vrijblijvend en er zitten consequenties aan niet participeren). Je schept daar hooguit een nieuwe laag mee waaraan men denkt te moeten ontsnappen en tegen zal ageren, bovendien zal het niet ten gunste zijn van zelfstandigheid.

    De kern van het probleem igv veel criminaliteit is dat men buiten de boot valt in beschaving 1, en dus deel neemt aan beschaving 2 (de criminele).
    De oplossing is daarom het laagdrempeliger maken voor deze groep om onderdeel te zijn van een normale beschaving. In de gevangenis zou gedacht kunnen worden aan een miniversie van onze samenleving waarin laagdrempelige arbeid aangegaan kan worden zonder daarvoor eerst burocratische bergen te hoeven beklimmen, en die resulteert in een groter welzijn van zowel het individu als van de gevangenisgemeenschap.
    (en werkgelegenheid tegen 1 euro per uur is dat niet maar is slechts een middelvinger richting de bajesklant.)

    Stel jezelf maar eens de vraag hoe het komt dat criminelen die eigenlijk niet met de samenleving kunnen meekomen, toch in staat zijn om (semi/)professionele wietplantages te draaien, terwijl daar toch best veel expertise, en werknijverheid bij komt kijken.
    – geen burocratie
    – geen verantwoordingsplicht
    – lucratief
    – spannend
    .. allemaal kernwoorden die als ze worden gecombineerd met normale arbeid, tot nette burgers leidt.

  2. ik werk zo kleine 22 jaar met jongeren, uit ervaring weet ik dat jongeren de grenzen opzoeken en zo nu en dan de weg niet meer zelfstandig terug vinden. Respect, inlevingsvermogen in hun belevingswereld komen en hun laten zien dat ze echt bijhoren. Het leven is geen rechte weg en als wij iedereen een kans geven heeft iedereen een sleutel om de deur te openen om mee te doen. Zeker moeten jongeren die vastgelopen zijn een hand willen zien om ze vast te pakken en wij kunnen een handje reiken. Steffi Brode

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *