Werkgevers: neem uw verantwoordelijkheid!

René Schalk en Matthijs Bal stellen terecht dat de samenleving ervan doordrongen moet raken dat doorwerken na het pensioen nodig is. Liane de Haan van de ouderenbond ANBO onderschrijft dat, net als hun pleidooi voor een gemeenschappelijk gevoelde verantwoordelijkheid. Maar dan moeten werkgevers wel meer laten zien.

‘Is de keuze om na het pensioen te blijven werken nu nog vrijblijvend, straks is het een maatschappelijke plicht’, concluderen Schalk en Bal. Ze hebben volkomen gelijk; werknemers hebben de maatschappelijke plicht om actief te blijven na hun pensionering. Het sociaal kapitaal dat zij vertegenwoordigen moet blijvend benut kunnen worden. Maar er ligt wel een gevaar op de loer, dat van de verdringing. Als 65-jarigen massaal betaald werk blijven verrichten, zullen zij de 55-plussers uit de markt duwen. Dat gebeurt zeker als de arbeidskosten van de gepensioneerden fors lager worden dan die van 55-plussers zoals Henk Kamp, de minister van Sociale Zaken in het kabinet Rutte I, dit voorjaar nog voorstelde.

Een ander punt dat ik zou willen aanstippen, is dat de gedeelde maatschappelijke plicht, waarover Schalk en Bal spreken, even breed gevoeld moet worden door werknemers én werkgevers. Dat is nu absoluut niet het geval.

Opvatting van werkgevers over langer doorwerken moet anders

De attitude van oudere werknemers ten opzichte van langer (betaald) werken is over het algemeen dik in orde. Senioren zijn zich terdege bewust van hun noodzakelijke bijdrage aan de samenleving. Dat blijkt onder andere uit het enorme aantal senioren dat vrijwilligerswerk doet. Binnen Europa is Nederland kampioen: ongeveer 27 procent van de 50 tot 65-jarigen, en 31 procent van de 65 tot 75-jarigen zet zich belangeloos in. Maar liefst 40 procent van de 65-plussers draagt actief bij aan recreatieve organisaties, zoals sportverenigingen. Daarnaast zetten ongeveer anderhalf miljoen mensen (oud en jong) zich als mantelzorger in voor een zieke naaste. Ook als het gaat om betaald werk doen de Nederlandse senioren het niet slecht: ruim 58 procent van de 55-plussers heeft betaald werk, tegen een Europees gemiddelde van 51 procent. De arbeidsdeelname is flink gegroeid.

Maar aan werkgeverszijde schort het aan moderne opvattingen over langer doorwerken door oudere werknemers. Volgens cijfers van het uitkeringsorgaan UWV werd in 2011 slechts 2 procent van de openstaande vacatures ingevuld door 55-plussers. Onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) toont aan dat de meerderheid van de oudere werklozen gemiddeld twee jaar nodig heeft om een nieuwe baan te vinden (SCP, 2012). Die feiten vormen een schril contrast met de juichende cijfers van het tweejaarlijkse onderzoek Vraag naar arbeid. In dit onderzoek, eveneens van het SCP, laten werkgevers zich bijzonder positief uit over oudere werknemers (SCP, februari 2012).

Vrijwel alle werkgevers (91 procent) vinden dat 55-plussers minstens zo goed presteren als jongere werknemers. Ook zegt 81 procent van de werkgevers dat de loonkosten van 55-plussers niet hoger zijn dan hun productiviteit rechtvaardigt.

Wat met de mond beleden wordt, leidt dus duidelijk niet tot een betere arbeidsmarktpositie van oudere werknemers. Werknemers voelen dat. Meer dan de helft van de 55-plussers voelt zich niet gewenst op de arbeidsmarkt. Een bijna even grote groep (47 procent) voelt zich zelfs ‘afgedankt’, zo blijkt uit een recent onderzoek van ANBO en het NCRV tv-programma  Debat op 2 onder ruim 5.000 oudere werknemers. Bovendien – zoals al bleek uit de UWV-cijfers – is het echt niet zo dat je als oudere werk kunt vinden als je maar écht wilt, zegt bijna tweederde.

Investeren in (om-)scholing van ouderen loont

Wat nu? ANBO pleit voor de versterking van de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers. Zo zijn veel oudere werknemers onvoldoende toegerust voor toekomstige veranderingen in hun werk, bijvoorbeeld door te weinig scholing. Daar kan een individueel scholingsbudget bij helpen, dat ook gebruikt kan worden om van sector te veranderen. Zo blijven oudere werknemers wendbaar en kunnen ze bij werkloosheid eerder weer aan de slag.

Voorts moet er onderscheid gemaakt worden tussen de lange en de korte termijn. Dat is moeilijk voor individuele werkgevers, maar daarin moeten ze gestimuleerd worden. Op korte termijn is er een forse werkloosheid, óók onder oudere werknemers. Maar op de middellange termijn ontstaan er knelpunten door de uitstroom van ouderen. Probleem is dat die korte termijn het zicht op de middellange termijn vertroebelt, omdat bedrijven nú moeten overleven en onvoldoende aan de toekomst denken.

Continuïteit, kennisoverdracht en diversiteit leiden tot robuustere bedrijven. Met dat gegeven in het achterhoofd zou het komende kabinet Rutte II fors moeten investeren in de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers. Al zouden ze maar starten met een imagocampagne, die de voordelen benadrukt.

Op de meeste oudere schouders rust een grote verantwoordelijkheid

Al met al ondersteun ik het pleidooi van Schalk en Bal van harte. Met een toenemende grijze druk kunnen we het ons als samenleving niet veroorloven om mensen aan de kant te zetten door ze oud te noemen. Iedereen kán en móet een bijdrage leveren. Het Zwitserlevengevoel is er slechts voor een hele kleine elite; op de meeste oudere schouders rust een grote verantwoordelijkheid. Op het hoogtepunt van de vergrijzing in 2040 zijn er op elke gepensioneerde nog maar twee werkenden. We kunnen die tijd niet overbruggen zonder een actief beroep te doen op werknemers en werkgevers; iedereen moet volwaardig mee (kunnen) doen in de maatschappij. Maar dan moeten oudere werknemers wel in staat gesteld worden om mee te doen. Schalk en Bal noemen alleen de maatschappelijke plicht van werknemers; ik voeg daaraan toe dat de werkgevers zich bewust(er) moeten zijn van de noodzaak om vakmensen met een schat aan kennis en ervaring in te (blijven) zetten.

Liane Den Haan is algemeen directeur van de ANBO,  de grootste belangenbehartiger voor senioren.

Foto: Bas Bogers

Dit artikel is 1010 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Doorwerken na het pensioen is onnodig en niet noodzakelijk. De verhoging van de AOW leeftijd is dan ook een verkeerde maatregel aangezien er onvoldoende banen zijn voor iedereen en dus ook voor ‘ouderen’. Het begrip ‘ouder’ heeft op de arbeidsmarkt vooral een bedrijfseconomische betekenis: te duur en te weinig rendabel. In feite worden werknemers op leeftijd ‘afgeschreven’ net zoals dat gaat met technische produktiemiddelen.
    Het huidige kabinet faciliteert deze mogelijkheid zelfs door de ‘ontslagbescherming’ te versoepelen. Het wordt nu nog makkelijker gemaakt voor werkgevers om ‘oudere’ werknemers te ontslaan en hiervoor ‘goedkope’ jongeren in dienst te nemen zonder een vast contract en weinig sociale zekerheid door de verkorting en verlaging van de WW.
    “Iedereen kán en móet een bijdrage leveren” is dus een statement dat niet overeenkomt met de harde werkelijkheid van de hedendaagse arbeidsverhoudingen. Het ANBO ziet in dit verband dan ook de ‘oudere’ werknemer teveel in de context van werkgevers belangen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *