Bouwen aan een neosociaal perspectief

Dat neoliberalisme dit jaar opnieuw als afzetpunt zou dienen bij de Algemene Politieke Beschouwingen viel te verwachten. De coronacrisis heeft politici van links tot rechts nog sterker de schaduwzijden van neoliberale politiek doen inzien. De vraag is nu hoe de neosociale wending kan worden bevorderd.

Inmiddels kent neoliberalisme geen voorstanders meer sinds vorig jaar VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff zich ook bij het koor van critici aansloot. Maar dat maakt de discussie niet minder belangrijk. Ook zonder aanwijsbare verdedigers is de neoliberale ideologie nog wel een poosje onder ons. De gevolgen van te veel marktwerking, privatisering en flexibilisering maken we niet zomaar ongedaan.

Bovendien is neoliberalisme veel meer dan een pleidooi voor vrije marktwerking. Het staat ook voor een individualistische mens- en maatschappijvisie, waarvan waardering voor autonomie en flexibiliteit de kern vormen. Dit individualisme heeft zich stevig genesteld in bestuur en beleid. Het individu is aangrijpingspunt van beleidsinterventie geworden, denk aan de nadruk op responsabilisering of op gedragssturing zoals nudging.

Wie neoliberalisme wil vervangen moet dus veel meer doen dan een pleidooi houden om de publieke sector met zijn collectieve voorzieningen te herwaarderen. Het komt aan op een ander mensbeeld met een andere visie op goed samenleven en besturen. We hebben nieuwe sociologische verbeeldingskracht nodig om opnieuw sociaal denken en handelen te leren.[1]

Collectivisme vermijden

Het is daarbij niet om het even welk perspectief op ‘het sociale’ we ontwikkelen. Tegenover individualiteit plaatsen we vaak collectiviteit. Maar collectivisme kan het antwoord niet zijn. Uit de geschiedenis van het politieke denken weten we dat collectivisme tal van problemen meebrengt. Collectivisme ziet vooral omvattende sociale structuren waarin de individuele mens uit beeld verdwijnt. Bovendien gaat collectivisme gepaard met homogeniteit of eenheidsdenken. Dat laat te weinig ruimte voor de uniciteit van maatschappelijke verbanden en voor culturele diversiteit. Daar komt bij dat sociologisch gezien de laatmoderne samenleving teveel gedifferentieerd is (‘vloeibaar’ is geworden) om als een ‘geheel’ te begrijpen.

Deze bezwaren bij collectivisme zijn niet slechts van historisch belang. Welbeschouwd is het nationaal-populisme een hedendaagse variant van dit collectivisme, dat zich ook als alternatief van neoliberalisme manifesteert. Het claimt de wil van ‘het volk’, daarmee de suggestie wekkend namens een omvattend geheel te spreken. Met hun pleidooien voor versteviging van een duidelijk omlijnde nationale cultuur als hét sociaal-verbindende element van de samenleving zoeken nationaal-populisten dat sociale bovendien in homogeniteit. Dat houdt voor culturele diversiteit weinig ruimte en miskent de betekenis van andere sociale verbanden buiten de natiestaat.

Bij het zoeken naar nieuw sociaal perspectief komt het eropaan dit collectivisme te vermijden. De uitdaging is om een visie op ‘het sociale’ te vinden voorbij individualisme versus collectivisme. Terug naar vroeger is geen weg vooruit. We hebben een visie nodig die individualisme tempert, sociale binding bevordert en ondertussen diversiteit blijft respecteren. Als alternatief voor ‘neoliberaal’ kan dat ‘neosociaal’ genoemd worden: een nieuw sociaal perspectief, zonder collectivistisch te worden.[2]

De kracht van coöperatieve initiatieven

In de politiek deden CDA-fractievoorzitter Heerma en ChristenUnie-partijleider Segers een voorzet bij de opening van dit parlementaire jaar. Heerma deed een pleidooi om opnieuw aansluiting te vinden bij coöperatieve bewegingen in de samenleving, waarin samenwerking van onderop centraal staat. Segers pleitte voor samenleven met aandacht. Daarin gaat het om oog hebben voor de ander en erkenning van de mens als een sociaal wezen.

Beide politici zien de kracht van coöperatieve initiatieven en maatschappelijke zelforganisatie, die afgelopen jaren op tal van plekken zijn ontstaan. Juist deze initiatieven zijn ‘neosociaal’ te noemen.[3] Ze vormen een alternatief voor individualisme waarin competitie, autonomie en flexibiliteit de kernwaarden zijn en draaien om herwaardering van samenwerking, gemeenschap en commitment. Daarbij gaat het deze bewegingen niet om een terugkeer naar de collectiviteit van verzorgingsstaat en gecentraliseerde publieke sector van weleer. Hier ontstaat een nieuwe balans tussen individualiteit en collectiviteit.

De vraag is nu hoe deze neosociale wending kan worden bevorderd. Wat hebben filosofie en sociologie in huis om onze verbeeldingskracht te vergroten? In mijn proefschrift over de begrenzing van maakbaarheidsdenken in bestuur en beleid ben ik ook aanknopingspunten op het spoor gekomen voor een neosociaal perspectief op mens, samenleving en bestuur.[4]

De klassieke deugdethiek

Bevordering van een neosociale samenleving begint bij de ontwikkeling van een morele cultuur die het ‘dikke ik’ (zoals het neoliberale individu ook wel is genoemd) kan begrenzen. Dat vraagt om een andere ethiek dan het liberale utilisme. De klassieke deugdethiek zou hierin een rol kunnen spelen. In het bijzonder verschillende deugden die met ‘maathouden’ te maken hebben kunnen goede sociale verhoudingen stimuleren. Dan denk ik aan bescheidenheid. Dat is een sociale deugd die gaat over de manier waarop wij de sociale ruimte betreden en ons verhouden tot anderen. Bescheidenheid behoedt voor opdringerigheid en competitiedrift en bevordert daarmee sociale harmonie.

Nog een stap verder zetten we met nederigheid. Deze deugd draait om de juiste zelfkennis en besef van eigen imperfecties. Nederigheid doet beseffen dat tekort onderdeel is van de menselijke conditie. Daarmee schept deze deugd ruimte voor compassie en vergeving, maar ook voor waardering voor de inbreng die ‘de ander’ kan hebben vanuit het besef dat mensen elkaar nodig hebben (coöpereren) om succesvol te worden. Sociologisch gezegd leert nederigheid om interdependentie te waarderen.

Herwaardering voor vakmanschap

Naast de deugdethiek kan ook de hedendaagse herwaardering voor vakmanschap of ambachtelijkheid bijdragen aan de opkomst van een neosociale samenleving. Van de socioloog Richard Sennett hebben we achterliggende jaren kunnen leren dat een ambachtelijke manier van werken een antigif is tegen de perverse kanten van autonomie en flexibilisering.[5] Ambachtelijk werk stimuleert commitment; om op te klimmen van gezel tot ambachtsman zijn uithoudingsvermogen en loyaliteit nodig. De werkplaats van ambachtslieden is bovendien een plek die gemeenschapszin en solidariteit bevordert; in de gildestructuur beschermden ambachtslieden hun gezellen alsof het familie was.

Een goede ambachtsman is bovenal ‘sociale maker’, die beseft dat hij vooral door samenwerking met andere ambachtslieden verder komt. Daarbij is het ambachtelijke maakproces een leerschool voor sociale vaardigheden zoals responsiviteit, dialoog en respect, aldus Sennett. Vanuit dit oogpunt is de herwaardering in de wereld van beleid en bestuur voor ‘publieke ambachtelijkheid’ en ‘ambtelijk vakmanschap’ hoopvol.[6] Daarmee kan het openbaar bestuur een neosociale bestuurscultuur bevorderen.

Wil een neosociaal perspectief daadwerkelijk kunnen doorbreken, dan is ook een verandering van focus nodig in beleidsinterventies. Dan moet niet langer het ‘rationele en autonome individu’ als aangrijpingspunt of object van beleid worden gekozen, maar de sociaal-culturele bedding waarin het individuele handelen plaatsvindt. Een recente stroming in de sociologie probeert hieraan recht te doen met de term ‘sociale praktijken’.[7] Individuen handelen niet autonoom en rationeel, maar worden gevormd door de praktijken waarin ze zich bevinden. Die praktijken hebben hun eigen tradities, gewoontes en impliciete regels die het individuele gedrag mede bepalen. Wil beleidsverandering effectief zijn, dan moeten die praktijken het aangrijpingspunt voor beleid genomen worden, zoals recent ook het Planbureau voor de Leefomgeving adviseerde.[8] Deze sociologie van sociale praktijken vermijdt ondertussen de valkuil van collectivisme, doordat het samenleven begrijpt als veelvoud van unieke praktijken.

De tijd is rijp om in deze richting verder te denken. Blijven herhalen dat het neoliberale tijdperk nu wel voorbij is doet zo langzamerhand sleets aan, daar wordt niemand enthousiast van. Laten we ons blijven oefenen in verbeeldingskracht voor een neosociale toekomst.

Robert van Putten promoveerde afgelopen voorjaar op het proefschrift De ban van beheersing: naar een reflexieve bestuurskunst aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Momenteel werkt hij als onderzoeker aan de Christelijke Hogeschool Ede en het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.

 

Noten

[1] Mark van Ostaijen, Wij zijn ons. Een kleine sociologie van grote denkers. (Nijmegen: Van Tilt, 2018).

[2] Robert van Putten, ‘Management in een vloeibare samenleving’, B&M 43(4) (2016), 84-89.

[3] Pieter Hilhorst & Jos van der Lans, ‘Neosocialisering’, in: Sociaal doe-het-zelven. De idealen en de politieke praktijk. (Amsterdam: Atlas Contact, 2013), 111-121.

[4] Robert van Putten, De ban van beheersing: naar een reflexieve bestuurskunst (Den Haag: Boombestuurskunde, 2020), 222-224.

[5] Richard Sennett, De cultuur van het nieuwe kapitalisme (Amsterdam: Meulenhoff, 2007), De ambachtsman (Amsterdam: Meulenhoff, 2008).

[6] Willem Trommel, Veerkrachtig bestuur. Voorbij neoliberale drift en populistische kramp (Den Haag: Boombestuurskunde, 2018); Paul ’t Hart, Ambtelijk vakmanschap 3.0 (NSOB, 2014).

[7] Zie bijvoorbeeld Davide Nicoloni, Practice Theory, Work & Organization (Oxford, Oxford University Press, 2012).

[8] Planbureau voor de Leefomgeving, Voedselconsumptie veranderen. Bouwstenen voor beleid om verduurzaming van eetpatronen te stimuleren (2020).

 

Foto: Mr Xerty via Unsplash