Intensief contact met bijstandsklanten: kleine stapjes naar de arbeidsmarkt

Uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt lijken veelal te zijn opgegeven voor arbeidsmarktparticipatie. Voor hen is de bijstand eerder hangmat dan vangnet. Een aantal gemeenten komt daarvan terug en wil al haar bijstandsklanten weer leren kennen en activeren. Bijvoorbeeld met frequente, intensieve en persoonlijke gesprekken. Wat levert dat op?

Forse bezuinigingen op re-integratiebudgetten hebben ertoe geleid dat gemeenten hun beperkte middelen veelal selectief inzetten voor kansrijke uitkeringsgerechtigden, dat wil zeggen degenen met een reëel perspectief op arbeidsmarktparticipatie binnen een relatief korte periode (meestal binnen twaalf maanden). Het gevolg is dat bijstandsklanten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt veel minder in beeld zijn.

Onderzoeken laten zien dat frequente face-to-facegesprekken tussen sociaal consulenten en uitkeringsgerechtigden positief effect hebben op onder andere de werkhervattingskans.1,2,3 Net als de praktijk zijn deze onderzoeken veelal gericht op de effectiviteit van gesprekken voor kansrijke uitkeringsgerechtigden. Het vermoeden bestaat dat voor kansarmere bijstandsklanten meer intensieve en persoonlijke gesprekken van belang zijn.4

Met deze gesprekken ontstaat wederzijds vertrouwen

Vanuit deze kennis en vermoedens is ‘de FIP-methode’5 ontworpen, waarin iedere letter staat voor de drie kenmerken waaraan een goed gesprek zou moeten voldoen: frequent, intensief en persoonlijk. Eerstgenoemd kenmerk spreekt voor zich. Intensief duidt op het aanbieden van gesprekken in de life-first traditie: naast werk en opleiding wordt stilgestaan bij de woonsituatie, de financiële situatie, relaties, gezondheid en zingeving.

Persoonlijk gaat over de manier van communiceren. Communicatie vindt op gelijke voet plaats, van mens tot mens en niet van ‘de gemeente’ tot ‘de bijstandsklant’. Persoonlijk betekent ook dat iedere klant een vaste consulent heeft. Door bijstandsklanten intensief en persoonlijk te spreken ontstaat vertrouwen en leren gemeenten hun bijstandsklanten echt kennen. Dat blijkt cruciaal als het aankomt op het activeren van bijstandsklanten.

Wij onderzochten de effectiviteit van de FIP-methode binnen drie gemeenten. In elke gemeente vergeleken we een kansarme groep bijstandsklanten die aan de FIP-gesprekken deelnam en een kansarme groep die de reguliere dienstverlening ontving.

Geen bijdrage aan uitstroom, wel bescherming tegen fraude

Uit ons onderzoek bleek dat het totale aantal beëindigde uitkeringen en het aantal beëindigde uitkeringen als gevolg van uitstroom naar arbeid niet significant beïnvloed werden door de FIP-gesprekken. Gezien de geschatte afstand van de bijstandsklanten tot de arbeidsmarkt (veelal meer dan 24 maanden) en de relatief korte tijdshorizon van ons onderzoek (10 tot 18 maanden) komt deze bevinding echter niet als verassing.

Binnen twee van de drie gemeenten werd in de FIP-gesprekken wel een significant hoger aantal fraudesignaleringen gemeld, binnen één gemeente leidde dit ook tot een significant hoger aantal beëindigde uitkeringen. Fraude wordt dus eerder gesignaleerd in de FIP-gesprekken dan in de reguliere dienstverlening. Fraude wordt daarnaast moeilijker gemaakt. Een consulent vertelt: ´Het kost mensen meer moeite om te liegen als je regelmatig gesprekken hebt, want dan hebben klanten een gezicht voor zich. Als je als gemeente heel anoniem bent, voor wie houden mensen zich dan aan de regels?´

De FIP-gesprekken bleken ook belangrijk in het voorkomen van onbedoelde fraude: consulenten kunnen hun klanten beter informeren over en attenderen op wat mogelijk als fraude gezien kan worden. Dit is belangrijk omdat fraude binnen de groep bijstandsklanten vaker gevolg is van onhandigheid dan van een bewust voornemen6.

Gesprekken leiden tot sociale activatie in kleine stapjes

Bijstandsklanten die deelgenomen hebben aan de FIP-gesprekken bleken verder actiever dan bijstandsklanten in de reguliere dienstverlening. Hierbij hebben we onder andere gekeken naar het starten met of uitbreiden van vrijwilligerswerk en of mantelzorgactiviteiten, deelname aan trajecten en doorstroom naar een volgende stap in het re-integratieproces.

Activatie geschiedt echter vaker in kleine stappen die niet altijd zichtbaar worden in cijfers. Consulenten geven voorbeelden: bijstandsklanten die gaan sporten, bijstandsklanten die hulp gaan vragen (bij het wijkteam, psychische hulpverlening, de huisarts, schuldhulpverlening of de voedselbank) of bijstandsklanten die de Nederlandse taal oefenen. Ook het verschijnen voor gesprekken is voor veel bijstandsklanten al een eerste stap.

Het zetten van deze stappen heeft een positieve uitwerking op het zelfvertrouwen en de zelfredzaamheid van bijstandsklanten. Het opdoen van positieve ervaringen met verandering gaat daarnaast gepaard met toenemende motivatie. Een consulent vertelt: ´Voor klanten is het soms een grote stap, voor ons minder… Maar door die stappen te ondernemen merk je wel… voor de klanten is het heel veel waard, want dan gaan ze uiteindelijk verder… Je merkt dat ze uiteindelijk steeds meer durven´.

Arbeidsvermogen bij bijstandsklanten eerder signaleren

Al met al blijkt dat met de inzet van de FIP-methode beter wordt aangesloten bij wat bijstandsklanten motiveert tot activatie. Het gaat hierbij om de kleine stappen die binnen de reguliere dienstverlening veelal onderbelicht blijven.

Tegelijkertijd wordt arbeidsvermogen bij bijstandsklanten eerder gesignaleerd. Zo vertelt een consulent: ´Ik heb een vrouw in mijn caseload die alles doet binnen een bepaalde stichting. Zij kan heel veel. Ik dacht toen: jij had allang aan het werk gemoeten. Als je een beetje geluk hebt, spreek je zo iemand binnen de reguliere dienstverlening omdat daar een bepaalde aanleiding voor is. Maar als dat het eerste contactmoment weer is, dan gaat er zoveel tijd verloren, dat is jammer!´

Klanten en professionals worden er blij van

Consulenten vertellen ons dat bijstandsklanten blij zijn aan de FIP-gesprekken te hebben deelgenomen. Zij hebben een positiever beeld van de gemeente gekregen, voelen zich gehoord en hebben het idee dat de gemeente in hen wil investeren.

Dit positievere beeld – aangevuld met het hebben van een vaste consulent – maakt dat bijstandsklanten minder zenuwachtig zijn voor gesprekken en dat ze eerder uit eigen initiatief contact opnemen om iets te vragen of een wijziging door te geven. Ook de consulenten zelf halen door het ‘echt’ contact maken meer voldoening uit hun werk.

Mensen zijn beweeglijker dan harde steensoorten

De belangrijkste winst van de FIP-gesprekken is de ondersteuning voor de boodschap dat het zogenoemde granieten bestand een relatief begrip is en dat mensen beweeglijker zijn dan harde steensoorten7. Er bestaat meer ontwikkelingspotentieel bij bijstandsklanten dan initieel door gemeenten gedacht. Bijstandsklanten zetten – als zij voldoende aandacht en de juiste begeleiding ontvangen – wel degelijk stappen richting sociale activatie en arbeidsmarktparticipatie. Daarbij zal het alleen niet om snelle winst gaan, er is juist een lange adem nodig.

Sanne van der Valk is promovenda aan de afdeling Public Administration and Sociology aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Menno Fenger is aan dezelfde universiteit en afdeling hoogleraar Institutionele dynamiek en governance in moderne verzorgingsstaten.

 

Referenties

1. Pedersen, J. M., Rosholm, M. & Svarer, M. (2012). Experimental evidence on the effects of early meetings and activation (IZA Discussion Paper Series).

2. Heyma, A. & Werff, S. van der (2014). Een goed gesprek werkt. (Kosten)effectiviteit van re- integratiedienstverlening UWV voor de WW-instroompopulatie 2008-2012. (SEO-rapport).

3. Berg, G. J. van den, Kjaersgaard, L. & Rosholm, M. (2012). To meet or not to meet (your caseworker): That is the question. (IZA Discussion Paper Series).

4. Dean, H. (2003). Re-conceptualising welfare-to-work for people with multiple problems and needs. (Journal of Social Policy).

5. De FIP-methode is ontwikkeld in de samenwerking tussen Menno Fenger en SV Land Specialisten Sociale Zekerheid.

6. Fenger, M. (2014). Misbruik van bijstand komt vaak voort uit onhandigheid. (Sociale Vraagstukken).

7. Knijn, T., Berkel, R. van, Bouwman-Veer, M. van ´t (2011). Zachte hand helpt het granieten bestand (Sociale Vraagstukken). 

 

Foto: Linkedin Sales Navigator (Pexels.com)