Housing First: dakloosheid stoppen in plaats van managen

Dossier

Eerst een huis

Huisvesting is volgens het recente RVS-advies de sleutel tot het oplossen en voorkomen van dakloosheid. Housing First geeft al bijna vijfentwintig jaar dakloze mensen eerst woonruimte en dan hulp bij het verlichten van andere zorgen –­ met succes.

Zelfstandige huisvesting hoeft bij Housing First niet meer te worden waargemaakt of verdiend, maar wordt direct aangeboden als een recht. Mogelijke andere problemen, bijvoorbeeld op het gebied van financiën of gezondheid, worden na het huisvesten samen met de begeleiding opgepakt. Internationaal is er in toenemende mate erkenning voor deze benadering om dak- en thuisloosheid te beëindigen.

Ook in diverse Nederlandse steden is de afgelopen jaren het Housing First model geïntroduceerd als aanvulling op het klassieke woonladdermodel (straat, opvang, tijdelijke huisvesting, begeleid of beschermd wonen en tot slot zelfstandig wonen). Opvangsystemen die uitgaan van dit klassieke woonladdermodel krijgen de kritiek dat zij dakloosheid niet zozeer beëindigen, maar hooguit managen (Burt & Spellman, 2007).

De eerste Nederlandse Housing First praktijk startte in 2006 in Amsterdam. Nu zijn er verspreid over andere steden ruim dertig praktijken met gemiddeld tussen de vijfentwintig en vijftig deelnemers. Housing First is ontwikkeld voor een specifieke groep langdurig dak- en thuisloze mensen met multiproblematiek. Inmiddels is er ook Housing First Jongeren (Wolf et al., 2018) en momenteel worden specialisaties verkend voor vrouwen, gezinnen en ex-gedetineerden.

Huur betalen en geen overlast veroorzaken

Housing First verplicht geen behandeling en geen onthouding van drugs of alcohol. Voor behoud van de huisvesting en verbetering van gezondheid, welzijn en sociale integratie, biedt het wel ambulante ondersteuning aan. Afspraken gaan over het nakomen van verplichtingen uit de huurovereenkomst, zoals het voldoen van de betalingen en geen overlast veroorzaken, en de afspraak om minstens één keer in de week contact te hebben met de begeleider.

In het ideale geval zijn de huizen van Housing First verspreid over de wijken, omdat dit de beste voorwaarden schept voor normalisatie. De voorkeur van deelnemers is leidend bij het kiezen van de woning en de locatie. De werkelijkheid is weerbarstiger, mede vanwege de hoge woningnood in Nederland.

‘Welke ondersteuning wil jij ontvangen?’

De werkrelatie tussen begeleider en deelnemer staat bij Housing First centraal, een goede match tussen beiden krijgt expliciete aandacht. De deelnemer wordt als een ‘gelijke’ beschouwd, niet als een cliënt of een patiënt. Er wordt niet gevraagd: wat is er mis met je?, maar wel: wat is er met je gebeurd? Hoe wil jij je leven leiden, welke ondersteuning wil jij ontvangen? Meningen en keuzes worden gerespecteerd met de kracht van een deelnemer als uitgangspunt zodat die een leven kan opbouwen zoals hij of zij dat wil.

Behandeling en begeleiding zijn bij Housing First nadrukkelijk gescheiden van huisvesting. Het voordeel daarvan is dat als de begeleiding ophoudt, de mensen gewoon in hun huis kunnen blijven wonen en niet weer hoeven te verhuizen. Een deelnemer vertelt: ‘Het grote verschil is dat ze eerst hulp geven in de vorm van een woning. Niks moet, alles kan. Ze geven dan hulp op jouw tempo. Pas als je stabiel bent, gaan ze weer een stapje verder met hulp en stappen zetten. Bij anderen moest je eerst aan een heleboel dingen voldoen en pas dan kreeg je hulp. Ook blijven ze bij Housing First helpen. Ze laten je niet vallen.’

‘Ze laten je vrijer maar kijken goed met je mee’

Deelnemers zijn veel positiever over de Housing First begeleiding dan over eerdere begeleiding. Zij noemen in het bijzonder de eigen woning, de kans om op eigen wijze te kunnen werken aan herstel, de houding van begeleiders en de praktische hulp die geboden wordt. Zo vertelt een deelnemer: ‘Housing First is echt anders. Zij zijn intensiever bezig in je leven op een goede manier. Ze laten je vrijer maar kijken goed met je mee. Niet van: je moet dit doen en je moet dat doen.’

De combinatie van een eigen huurcontract en zo lang als nodig ondersteuning verklaart waarschijnlijk het succes: tachtig procent van de deelnemers blijkt ook op de langere termijn nog zelfstandig te wonen (Stefancic & Tsemberis, 2007; Tsemberis et al., 2004). Een andere succesfactor is het ondersteuningsteam bestaande uit betrokken, gemotiveerde professionals en soms ook ervaringsdeskundigen. Zij laten zich in hun relatie met hun klanten leiden door respect, warmte en compassie.

Burenoverlast blijkt mee te vallen

In enkele situaties komt, net als bij reguliere huurders, overlast voor. Het voordeel voor de woningbouwcorporaties is dat er nu direct begeleiding bij betrokken is. Corporaties en Housing First maken werkafspraken zodat zij elkaar snel weten te vinden en weten wat zij van elkaar kunnen verwachten.

De begeleiding werkt preventief omdat bij de eerste signalen van overlast, in samenspraak met de omgeving, gekeken wordt wat er nodig is en snel gehandeld wordt om escalatie te voorkomen. Bijvoorbeeld door het bieden van een time-out, een woning elders of buurtbemiddeling. In de praktijk blijkt de overlast mee te vallen.

Ministerie komt met actieplan

Bezuinigingen, tijdelijke financieringen, maar ook krapte op de woningmarkt maken het Housing First praktijken moeilijk. Er is simpelweg een gebrek aan passende en betaalbare huisvesting verspreid over de stad. Tegelijkertijd neemt het aantal dakloze mensen nog steeds fors toe. Daarom zou Housing First een flinke boost moeten krijgen, maar daar is draagvlak voor nodig, woningen en geld voor begeleiding, kennisontwikkeling en innovatie.

Housing First zal op korte termijn zeker terugkomen in het actieplan dat het ministerie van VWS in voorbereiding heeft als antwoord op de forse toename van het aantal dakloze mensen in Nederland. Voor Housing First is de grote vraag: In welke mate gaat de overheid kiezen voor het managen van dakloosheid of kiest zij voor een effectievere en daarmee economischere aanpak ter voorkoming, indamming en opheffing van dakloosheid in Nederland?

Anke Jansen (zelfstandige vanuit Bureau ZIN), Irma Baars (projectmanager bij HVO-Querido) en Melanie Schmit (programmamanager bij LIMOR) zijn medeoprichter van en actief binnen Housing First Nederland; Sara Al Shamma en Linda van den Dries zijn respectievelijk wetenschappelijk medewerker en senior onderzoeker bij Impuls. Judith Wolf is hoogleraar maatschappelijke zorg aan het Radboudumc en directeur van Impuls.  

 

Foto: Marjo en Brigitte (Flickr Creative Commons)