#9 – Bij wijze van spreken

Serie

Nabij is beter. Decentraal denken en doen

In samenwerking met KING (Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten) en de VNG halen Pieter Hilhorst en Jos van der Lans verhalen en ervaringen op over de vraag of de decentralisaties op de werkvloeren van de samenleving daadwerkelijk de vernieuwing op gang brengen die ze hebben beloofd. Elke twee weken rapporteren zij daarover op socialevraagstukken.nl en nodigen zij mensen uit om mee te denken.
De praktijkverhalen uit de sociale sector verschillen hemelsbreed met de in de sector gebezigde taal van het beleid. Maar in deze tijd van decentralisatie hunkeren beleidsmakers juist naar de verhalen van de werkvloeren. Pieter Hilhorst en Jos van der Lans pleiten voor meer casuïstiek.

Er is iets wonderlijks aan de hand, iets waar wij ons al jaren over verbazen. Er is namelijk geen sector in Nederland waarin zoveel interessante en dramatische verhalen rondgaan als in de sociale sector. Of het nu de jeugdzorg betreft, de UWV, het maatschappelijk werk of de sociale wijkteams - in al die takken van dienstverlening gaat het voortdurend over mensen, over menselijke tegenslag, over ellende, maar ook over overlevingskunst en kleine overwinningen. In elk geregeld contact dat een professional met een gezin of met een cliënt heeft ligt een verhaal opgesloten, soms een verhaal van pech, soms een verhaal van dommigheid, soms een verhaal van bedrog, soms een verhaal van geweld. Het kan alle kanten op, maar er is altijd een verhaal, zoals er ook altijd een richting is waarin naar nieuwe wegen wordt gezocht, hoezeer die soms ook doodlopen.

Maar toch spelen die verhalen maar een beperkte rol in het spreken (of schrijven) over de sectoren. Zeker, ze worden verteld in teamoverleggen en casusbesprekingen, ze verschijnen ook wel in losse kadertjes in beleidsteksten, maar in het beleidsmatige gesprek over het sociale domein spelen deze verhalen en de kennis die daaruit voortvloeit bepaald geen hoofdrol. De buitenwacht, het publiek neemt er hooguit anekdotisch kennis van. Dat is vreemd, het belangrijkste mentale kapitaal van de sector, namelijk de omgang met menselijke tegenslagen, wordt eigenlijk niet aangewend in de publieke (politieke en beleidsmatige) gesprekken die we over de sector voeren.

De taal van de systeemwereld

Want in die gesprekken voert een heel andere taal de boventoon. Dat is de taal van het beleid, de taal van wat de Amerikaanse socioloog Robert Reich symboolanalisten heeft genoemd: mensen die beroepsmatig informatie verzamelen, ordenen en in beleidsverhandelingen verder brengen. Dat is een taal die er juist op gericht is het incidentele, het anekdotische te overstijgen. Zo hebben wij over het sociale domein een taal gespannen, die het gesprek steeds op een abstracter niveau brengt. Het is de metataal van intenties, uitgangspunten, doelstellingen, afspraken, samenwerkingsverplichtingen, noem maar op. Het is de taal van nota’s en instituties, de taal van de systeemwereld.

Het is het levenselixer van onze managers, staffunctionarissen, beleidsambtenaren en niet te vergeten organisatieadviseurs die er enorm in uitblinken. Het is de taal waarin zij over het werk communiceren. Onmisbaar, noodzakelijk, maar zo dominant en alom tegenwoordig dat het lijkt alsof er geen andere taal voorhanden is om ons over dit werk uit te drukken. Dat is vermoedelijk ook de reden waarom zo weinig uitvoerende professionals het woord voeren in de discussies over de drie decentralisaties en de nieuwe organisatievormen die dat voortbrengt. Zij spreken eenvoudigweg niet de taal. Het is een werkelijkheid, waar anderen het woord voeren.

Wij willen echter de verhalen uit de praktijk laten spreken om de intenties van het beleid op hun realiteit te onderzoeken. Met dat motief zijn wij dit project begonnen: als de decentralisaties een beweging van onderop met ruimte voor burgers en professionals mogelijk wil maken dan moet en de verhalen van de werkvloeren, van mensen en van professionals een kenniskompas vormen. We willen de omgekeerde route volgen: van levende verhalen beleid maken, dat is ook wat wij in de eerste acht afleveringen van deze rubriek hebben geprobeerd.

Om dezelfde reden plaatsten wij onder de eerste afleveringen van ‘Nabij is beter’ een oproep om ons van concrete verhalen en voorbeelden te voorzien van de wijze waarop de beloften van de drie decentralisaties in de praktijk worden waargemaakt, dan wel vastlopen. Vertel ons hoe het gaat, doe dat zo concreet mogelijk, want we willen greep krijgen op een nieuwe werkelijkheid die – zo is onze veronderstelling – niet zonder horten en stoten, niet zonder tegenwerking en tegenslagen tot stand komt. Zonder verhalen van de werkvloeren van de vernieuwing kunnen we immers niet het nieuwe vocabulaire ontwikkelen dat bij de nieuwe omgangsvormen tussen burgers, professionals en instituties past.

In de 3D-beleidstaal kan iedereen zijn woordje doen

Dat blijkt in de praktijk bepaald geen gemakkelijke opgave. Op onze oproepen ontvingen wij vrijwel altijd wel enthousiaste reacties, maar nogal eens presenteren mensen hun verhalen in de taal van het beleid. Ze vertellen over projecten, over organisatievormen, over nieuwe afspraken en samenwerkingsverbanden tussen organisaties, maar niet over wat er gebeurt. We vroegen om concrete verhalen, maar ontvingen vooral goede bedoelingen.

In die dominante taal is het vaak moeilijk te bepalen welk belang er aan het woord is. Spreekt hier het gemeentelijke belang dat nog eens uit de doeken doet dat de vernieuwing is ingezet, want vastgelegd in afspraken en inkoopcondities; spreekt hier het instellingsbelang dat wil aantonen onmisbare hulp te verlenen; spreken hier projectleiders die vooral processen managen? Eenmaal gevangen in de woorden van de beleidsvernieuwing valt de naakte werkelijkheid maar heel moeilijk te onderscheiden van de onuitgesproken onderliggende agenda’s. De beleidstaal van de decentralisaties is inmiddels zulk gemeengoed geworden dat iedereen er zijn woordje mee kan doen.

Maar dat was niet wat we wilden horen. We wilden verhalen ophalen die een laag dieper gaan, die van een net wat andere werkelijkheid spreken. Als het om de verhouding tussen generalisten van het wijkteam en specialisten van de jeugdzorg of geestelijke gezondheidszorg gaat dan willen we horen hoe het gaat als een wijkteammedewerker het even niet weet of zich onzeker voelt. Bij wie gaat ie dan te rade? Hoe gaat dat in zijn werk? Wat is die gezamenlijkheid dan? Moet je elkaar echt kennen (en vertrouwen) of kan het ook klinisch door de telefoon? En waar stuit je op als je uitgaat van de kracht van eigen mensen? Wat is dat nog als je torenhoge schulden hebt? Hoe krijg je het sociale netwerk betrokken? Voorbeelden, verhalen, vertel ze maar.

En als het gaat om het droogvallen van het doorverwijzen naar gespecialiseerde jeugdzorginstellingen willen we weten wat er dan gebeurt met de gevallen die vroeger kennelijk wel in de tweede lijn terecht kwamen? Kan een generalist wat met angststoornissen? Verwijzen specialisten na een verwijzing van de huisarts wel eens mensen terug naar het sociaal wijkteam omdat ze menen dat hier specialistische zorg niet op zijn plaats is? Hoe gaat dat dan? Of gebeurt het niet? Waarom dan niet? Laat het weten.

Fora creëren waarin professionele verhalen weerklank vinden

Populair gezegd willen we voor ons schrijven over de werkelijkheid van de decentralisaties uit een ander vaatje tappen. Eén van de beloften die de hele operatie is immers dat deze ruimte voor professionals moet creëren. We moeten professionele competenties op de beste manier voor mensen inzetten en organiseren, en dat moet anders dan dat de oude werkelijkheid van protocollen, scheidslijnen, indicaties, stepped care en afrekensystemen voorschreef. Dat krijgen we alleen voor elkaar als professionals levende verhalen over hun werk met elkaar, met hun leidinggevenden, hun bestuurders en het publiek delen. Als ze een stem geven aan de nieuwe zoektocht naar nieuwe verhoudingen en andere onderlinge omgangsvormen in het sociale domein. Als we kennis kunnen nemen van hun aarzelingen, hun oplossingen, hun beperkingen en hun successen. Al we ze aan het woord laten komen en er ruimte voor bieden. En als er fora komen waar hun verhaal weerklank vindt en verwerkt worden tot beleidsmatige inzichten, precies de bedoeling van deze rubriek.

Dat gaat niet vanzelf. Terwijl de politiek bij voorkeur praat over Henk en Ingrid, Mohammed en Fatima, of Kim en Joaquim, terwijl in de media juist rondom de drie decentralisaties voortdurend verhalen boven komen over mensen-van-vlees-en-bloed die van het kastje naar de muur worden gestuurd, die tussen wal en schip vallen, volhardt de sector zelf in de metataal van de goede intenties, van de beleidsvoornemens en het optimistische wensdenken. De verhalen uit de rauwe werkelijkheid zijn daardoor altijd uitzonderingen op de goede bedoelingen van het beleid. Hoe heftiger de concrete kritiek, hoe indringender het herhalen van de goede intenties. Dat is dus letterlijk langs elkaar heen praten.

Casuïstiek op beleidstafels

Waar schreeuwende behoefte aan is, is het besef dat het succes van de drie decentralisaties ook afhankelijk is van de mate waarin wij aan elkaar andere verhalen toelaten in het spreken over het sociale domein. Een wijze van vertellen waarin levensverhalen van mensen een betekenisvolle rol kunnen spelen, waarin professionals het woord voeren over het werk en de obstakels die zij tegen komen, de aarzelingen die zij hebben. Een gespreksmodus die niet bij voorbaat het concrete als het onbespreekbare (want privacygevoelig) laat rusten, maar die levende dilemma’s laat zien, het publiek laat delen in de hardnekkigheid van sommige problemen. Een uitwisseling die niet over wensen gaat, maar over mensen. Een taal die het lastige van het sociale werk weet te combineren met het plezier wat het kan brengen.

De gemeentelijke arena is bij uitstek geschikt om deze nieuwe wijze van spreken tot rijping te laten komen. Dat gebeurt in zeker opzicht nu al. Was het wethouders in het verleden zo ongeveer verboden om over concrete gevallen te spreken (daar ging de politiek immers niet over), nu nemen ze op basis van concrete casussen vaak het voortouw om doorbraken te forceren als het spel met regels, professionals en instituties vastloopt. Zij willen niet langer alleen realiseren wat volgens inkoopvoorwaarden mogelijk is; zij willen realiseren wat in bijzondere gevallen nodig is, maar daarvoor moeten ze wel gevoed worden. Daarom hunkeren ze naar de verhalen van de werkvloeren.

Dat is een nieuwe ontwikkeling. Niet eerder is er zoveel casuïstiek besproken op beleidstafels, in overleggen, binnen instellingen als de periode sinds D-day (1 januari 2015). Ook de Transitiecommissie Sociaal Domein die namens de regering de vinger aan de pols moet houden over de voorgang van de decentralisaties heeft zich voor haar evaluaties laten inspireren door de casussen die uit gemeenten naar boven kwamen. ‘Vertel mij verhalen, kom met casuïstiek’, is het motto van Han Noten, de voorzitter van de commissie.[1]  Het geeft aan dat er op alle niveaus behoefte is om een ander register te openen dan de metataal van de beleidsvoornemens en papieren inkoopvoorwaarden. Er is, nee, er moet meer te vertellen zijn. Sterker, we moeten dat vertellen mogelijk maken, organiseren.

Daarbij moet gewaakt worden voor klaagzangen. Ook dat is een reflex van het oude metaspreken, dat uitblinkt in het stilstaan bij bureaucratische belemmeringen, organisatorische condities en onhelder gedefinieerde processen en verantwoordelijkheden. Belangrijk, zeker, maar die verhalen kennen we nu wel. Vertel ons verhalen over hoe het gaat, over hoe acties (al dan niet) lukken, welke vorderingen er zijn gemaakt, wat samenwerking met anderen voor meerwaarde heeft opgeleverd. De verhalen moeten juist ook gaan over de kleine successen; ze moeten de zegeningen durven te vieren, al was het maar om de tegenslagen te boven te komen. Voor die verhalen kunt u ons ’s nachts wakker maken. Bij wijze van spreken.

Pieter Hilhorst is politicoloog en publicist, tot maart 2014 was hij wethouder in Amsterdam; Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. De grondslag voor deze rubriek vormt hun essaybundel Nabij is beter. Essays over de beloften van de 3 decentralisaties. ( Den Haag: KING/VNG, 2013).

Noten
1. De Transitiecommissie Sociaal Domein heeft haar onlangs uitgebrachte derde voortgangsrapportage laten vergezellen door een e-book Mogelijk maken wat nodig is waarin 17 casussen worden beschrijven van concrete problemen en successen van sociale wijkteams.

Foto: Marc Wathieu (Flickr Creative Commons)

Reacties op dit artikel (8)

  1. En niet te vergeten de boeiende verhalen die verteld kunnen worden over het werk bij sociale diensten (tegenwoordig diensten van werk & inkomen), zowel over de werkers aldaar, de belangen waartussen gelaveerd moet worden en de avonturen met en door de burgers die de financiële ondersteuning nodig hebben (ze worden cliënten genoemd, maar van dàt woord moeten we eigenlijk af, is samentrekking van klant en patiënt)…

  2. Citaat uit de tekst: “Al we professionals aan het woord laten komen en er ruimte voor bieden. En als er fora komen waar hun verhaal weerklank vindt en verwerkt worden tot beleidsmatige inzichten.”

    Tijdens het congres van de Beroepsvereniging voor Klantmanagers op maandag 5 oktober aanstaande wordt een forum officieel gelanceerd waar klantmanagers van sociale diensten hun expertise en ervaringen met elkaar kunnen uitwisselen. KenMe is die online community van en voor klantmanagers. Het is de bedoeling dat werkers bij sociale diensten daar discussiëren over cases, methoden en elkaar helpen problemen in het werk (zoals de bureaucratie of resultatitis) op te lossen, en het werk effectiever te doen.

    http://www.debvk.nl/agenda/bvk-najaarscongres-2015/

  3. Hierbij vraag ik me af of de heren ook interesse hebben in de mening van bijvoorbeeld ouders die jeugdhulp zoeken. Het is niet zo dat kinderen met ASS alleen maar een beetje verlegen zijn of ouders hebben die weinig snappen van opvoeden. Dat willen sommige politici wel graag weten, om onmogelijke bezuinigingen door te kunnen drukken. ASS bestaat uit paniek als dwangroutines doorbroken worden. Daardoor kan het kind bijvoorbeeld soms niet eten, slapen of naar school. Als je iets zegt tegen een kind met ASS begrijpt hij je pakweg alsof hij Chinees als moedertaal heeft, zelfs als zijn IQ 140 is. Dat is het effect van het missen van sociale signalen.
    Om als ouder een kind met ASS op te kunnen voeden, moet je minstens de expertise van een HBO-opgeleide hebben plus een hele berg ervaring, anders gaat het niet. Of de expertise en ervaring moet af en toe aangevuld worden door professionals van HBO-plus niveau. Professionals die oog hebben voor de ‘eigen kracht’ van de ouder. Anders blijft de term ‘eigen kracht’ een holle frase.
    De privacy is uiteraard ook een groot probleem via gemeentes. Om alle minimumeisen rond te krijgen die ons gezin nodig heeft om ons staande te houden, is ver gespecialiseerde en ervaren hulp nodig. Daarom betalen wij de hulp zelf. Zo krijgen we vanzelf een tweedeling in de samenleving. De mensen zonder geld moeten het doen met te weinig gespecialiseerde hulp omdat het geld van de gemeente op is. En ze moeten hun privacy inleveren.
    Ik wens u veel succes op zoek naar positieve voorbeelden. Wellicht zouden die wel voorkomen als privacy goed geregeld was en de regering met geld over de brug kwam bij gemeenten die dat nodig hebben.

  4. Een stuk dat uit mijn hart gegrepen is en een lovenswaardig initiatief. Het verlangen naar gebruik van verhalen als beleidsinstrument is echter geen nieuwe ontwikkeling, zoals de auteurs veronderstellen.

    Al in 2004 was ik betrokken bij een opdracht van de overheid van Singapore met precies die doelstelling. De aanpak die daaruit is voortgekomen wordt inmiddels wereldwijd toegepast. Onderweg zijn vele lessen geleerd. Graag schets ik enkele dilemma’s en manieren om daarmee om te gaan.

    Het eerste dilemma wat we tegenkwamen is het feit dat de kracht van een individueel verhaal ook direct het zwakke punt is: een verhaal is als casus rijk aan context en kan overtuigen en verleiden, maar biedt slechts één perspectief van één verteller.

    Het is volkomen terecht dat bestuurders niet willen acteren op een zeer beperkt aantal waarnemingen. Bovendien: de duiding van een dergelijk verhaal ligt vaak bij de bestuurders zelf, wat de kans groter maakt dat signalen gekleurd of zelfs gemist worden. Dit laatste niet omdat bestuurders ze niet willen zien, maar omdat ze dat niet kunnen. Uit de cognitieve psychologie weten we namelijk dat bestaande denkpatronen onze waarneming sturen; deze ‘blindheid’ voor onverwachte signalen hebben we ook werkelijk meegemaakt.

    Daarom is het logisch dat bestuurders graag vasthouden aan ‘objectieve’ cijfers. Maar die objectiviteit geldt alleen voor zaken die fysiek telbaar of meetbaar zijn; rapportcijfers zijn net zo subjectief als verhalen, waardoor een gemiddelde eigenlijk niks zegt. Elke 7 kan het resultaat zijn van een 4 en een 10 – in beide gevallen heb je de context nodig om er iets van te leren; daar zouden verhalen nou juist in kunnen voorzien.

    Voor Singapore hebben we daarom geprobeerd om kwaliteit te koppelen aan kwantiteit. We verzamelden op grote schaal verhalen, die we lieten duiden door de vertellers zelf. Die duiding wordt metadata bij de verhalen, waaruit we dus ook statistieken kunnen berekenen en patronen zichtbaar maken in de beleving van burgers, patiënten of willekeurige andere doelgroepen.

    Dit leidde uiteindelijk tot statistiek met een verhaal erachter: cijfers plus context. De duiding ervan ligt wel bij beleidsmakers; het probleem van blindheid en individuele kleuring proberen we te vermijden door een participatief proces: zoveel mogelijk beslissers gezamenlijk inzichten laten formuleren. De metadata zorgt ervoor dat geformuleerde inzichten kunnen worden getoetst aan statistiek.

    Op de hierboven beschreven manier kun je van verhalen een serieus beleidsinstrument maken, waarbij ook verschuivingen in de loop van de tijd zichtbaar kunnen worden.

    Het mooiste resultaat is dat het een meer organische vorm van management mogelijk maakt: “ik wil meer verhalen zoals die, en minder verhalen zoals die”. Juist in de zorg, het onderwijs en maatschappelijke dienstverlening sluit een dergelijke aansturing zoveel beter aan bij de beroepseer en autonomie van de werkvloer dan het najagen van nietszeggende kpi’s.

  5. Ik lees in het bovenstaande artikel dat een probleem is dat de aangeleverde verhalen vaak nog in de taal van het beleid geformuleerd worden. Ik denk dat dit met de oproep te maken heeft want die is gekoppeld aan een beleidsonderwerp namelijk de drie decentralisaties.

    Inderdaad zijn er grote verschillen tussen de gebezigde taal van de praktijk (de sociale professionals) en die van beleid. Maar ook de taal van publicisten verschilt hemelsbreed met die van de praktijk. Beleidstaal en publicistentaal is over het algemeen niet de taal van sociale professionals. Daar gaat het hart van de sociale professional niet sneller van kloppen.

    Het hart van de sociale professional klopt voor zijn cliënt. Een oproep tot het delen van verhalen dat daaraan appelleert leidt niet tot verhalen in ‘beleidstaal’. Het is inderdaad geen makkelijke opgave om concrete verhalen te verzamelen. Die ervaring hebben wij ook.

    De afgelopen jaren verzamelden Eveline Vollbracht en ik verhalen en anekdotes van sociale professionals. Wij hebben er inmiddels 70 verzameld. Dat is gelukt door actief in ons eigen netwerk sociale professionals te bevragen en oproepen te doen via Facebook en LinkedIn en vooral door aan te sluiten op de drijfveren en passies van sociale professionals.

    De verhalen hebben we op een blog geplaatst (ditishetsociaalwerk.blogspot.nl).

  6. Onderschrijft deze visie. Geloof in de kracht van zelforganisaties. Sinds een aantal jaren zijn er overal in het land als antwoord op falende beleid van UWV 50plus organisaties ontstaan. Ervaringsdeskundigen die 50+ werkzoekenden succesvol ondersteunen naar werk.
    Hun verhalen moeten gehoord worden

  7. Het sociale domein is een wassen neus en dat weten politici ook. Daarom wordt al jaren gesproken over: “het is ons opgelegd” en “wij weten het niet”.
    De werkelijkheid is een verschrikkingen voor elk. Het rijk heeft de kaders gesteld en per 2015 op het bordje gelegd van de gemeenten. Die hebben geen kennis in huis en geen idee wat zij er mee aan moeten. Daarnaast strookt de integriteitsniveau niet met dat van het gemeentehuis. Sinds 2011 mochten gemeenteraden meepraten, maar dan wel enkel over financiën. Ook was dit schijn en hadden gemeenteraden hun kostbare vergadertijd anders kunnen besteden, want zij moesten met mes op de keel instemmen met het voorstel. Niet instemmen zou failliet verklaring van een gemeente kunnen betekenen.

    Ambtenaren weten dat er heel veel mis gaan in hun eigen gemeenten, maar lijken machteloos te staan. Als eerst worden veel gemeenten door Zorg instanties financieel belazerd. Ze declareren te veel, verspillen opzettelijk subsidies en de kosten zijn niet altijd toerekenbaar aan de diensten. Bestuurders weten dat politici het erg druk hebben en spelen daarom in op hun onwetendheid en moraal dat zorg echt nodig is omdat anders burgerslachtoffers vallen. (Vergelijk het met de collecties aan de deur).
    Daarnaast speelt er bij Zorg instanties een soort arrogantie, in trant van “als wij politici in de maling kunnen nemen, wie is die cliënt die denkt dat ie het beter weet”.
    Mocht men de sociale domein rendabel willen maken, dan zullen er drie dingen moeten veranderen: 1. Wethouders en politici moeten zich niet laten afpoeieren, maar moeten een zeer kritisch houding tegenover de instellingen nemen. De gedachte “het zit wel snor” gaat niet op. 2. De afzetmarkt in de zorgsoort moet vergroot worden, zodat meerdere aanbieders de prijzen doet dalen en de kwaliteit doet stijgen. (In gedacht zou men zo ver kunnen gaan dat bijvoorbeeld Delloite een wijkcentrum zou open of de ah jeugdzorg). 3. Fraude moet altijd worden aangepakt en wettelijk worden gesanctioneerd met terugbetalen van subsidies. 4. Gemeenten moeten in eigen gemeentehuis een balie inrichten voor informatie en advies. (Nu leidt het inwinnen van informatie en advies in no time tot een ots in gedwongen kader omdat veel Zorg instanties aan de hulpvrager gaat kleven. Zeker in het kader van bezuinigingen zijn personeel bang voor hun baan, dus als zij zoveel mogelijk nieuwe cliënten aan trekken, dan is de kans op bezuinigingen en dus op ontslag zeer klein. ..aldus de gedachte). Gemeenteambtenaren moeten de taak niet gaan uitbesteden, maar juist zelf gaan inrichten. Dan wordt zorg efficiënter en goedkoper, aldus de kerngedachte achter de decentralisatie.

    Tot slot nog even over de burgers, dossiers worden ten onrechte doorgestuurd en uitgeplozen. ..ook door de gene die daar geen recht op hebben. Schending van beroepsgeheim is strafbaar, maar aangifte heeft geen zin want politie zal ten heden dage altijd seponeren. Ouders met simpele algemene vragen over opvoeding worden door diverse instanties achterna gejaagd en door jeugdbeschermingsrecht neer gesabbel met leugenachtige verklaringen, waaruit een gerechtelijke procedure en ots (dwang) voort vloeit. Praten, klagen, in openbaarheid treden mag niet meer. ..Want dan werk je tegen. Er wordt van een mug een olifant gemaakt en je mag niks meer. ..op straffe dat jouw kind (eren) uit huis worden gehaald en in een pleeggezin of -instelling terecht komt.

    Ouders durven niet hier over te praten en zijn bang hun kinderen voor altijd kwijt te raken. Geen wet die ze beschermd en de rechter kiest bijna altijd voor de partij van jeugdzorg. (Bij 90 % van de gevallen, deze uitspraken worden niet altijd gepubliceerd). Wrakingsgronden op grond van partijdigheid worden amper toegekend. Jeugdzorg is van de overheid. Ouders hebben geen vertrouwen in jeugdzorg, want het is de overheid die hun belazerd. Een simpele hulpvrager wordt beschadigd voor de rest voor het leven.
    En zo is het cirkeltje rond; hulpverlener dwingt zich op, ouders zwijgen, politici en bestuurders komen niet aan hun informatie, hulpverleners wijten dit aan naïviteit van ouders, bestuurders en politici krijgen geen bezwaren (want er bestaat geen belangenorganisatie) en dus krijgt hulpverlening een zakje geld en extra bevoegdheid.

  8. De vraag van beide heren richt zich veel te veel op het systeem. Terwijl 80% van het succes of falen in het sociaal werk (schatting), niet behaald wordt door het systeem, maar door de mensen die binnen het systeem opereren. Praktisch probeer ik sinds januari 2015 binnen het nieuwe systeem weer juist die mensen (ambtenaren, beleidsmedewerkers, hulpverleners, corporatiemedewerkers) op te zoeken van wie ik weet dat ze begrijpen wat er voor nodig is om een situatie te redden, recht te trekken, voor te zijn, etc. Die mensen die een stapje extra zetten.

    Vice versa, weet ik ook, dat wanneer mevrouw X bij mij komt om samen met mij haar situatie te verbeteren, wij zullen falen, omdat zij klantmanager Y heeft bij de sociale dienst. Nieuw of oud systeem. Geen verschil. Sociale wijkteams? Als er mensen in zitten die het vorig jaar niet begrepen, dan doen ze dat dit jaar ook niet. Klaar.

    De goeien in het sociale domein werken al hun hele leven volgens de principes van eigen kracht. Scholen met goed personeel waren al ‘breed’ toen dat nog niet eens bestond. Sociale diensten met topmedewerkers, hadden geen tegenprestatie nodig om hun jongens en meiden te laten participeren. Het systeem wat je kiest is op zijn best OF een goede aanvulling OF een hinderlijke drempel. Maar echt niet zaligmakend.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *