Nakijken – Aflevering 5: Vol verwachting

Voor Sociale Vraagstukken blikt socioloog Thijs Bol elke week terug op Klassen, de nieuwe documentaire van omroep Human. Vandaag aflevering 5, over het middelbare schooladvies.

Nerveuze gezichten en gespannen gesprekjes in de gang: deze week kregen de groep achters uit Klassen hun advies voor de middelbare school. De spanning is merkbaar op alle scholen. Yunuscan, Esma, Viggo, Vera, Tama: allemaal wachten ze vol verwachting op het gesprek dat gaat bepalen welke opties zij hebben ná groep 8.

Yunuscan hoopt op een mogelijkheid om naar de havo te gaan, maar zijn advies blijft vmbo-t/havo-kans. Viggo hoopt op een vwo-advies, maar zijn advies blijft havo/vwo. Tama, die we vorige week nog hard zat te blokken op bijles (‘valsspelen’), krijgt wél haar gewenste havo/vwo-advies.

‘Het advies dat bij je past,’ heet aflevering 5. Bij je passen—een neutrale term die we vaak terughoren in de aflevering. Eenieder krijgt wat voor hem of haar goed is. Tegelijkertijd wordt ook duidelijk dat niet elk advies even ‘goed’ is. Meester Frans van de Weidevogel spreekt groep 8 toe: ‘Het zijn heel goede adviezen. Maar er wordt ook hard gewerkt, dus dan zijn er ook hele goede… en passende adviezen.’ Maar is goed nou hoog — dus veel havo of vwo, of is goed nou passend?

Nakijken – Een wetenschappelijke recap van de documentaireserie Klassen

Heeft iedereen gelijke kansen in het Nederlandse onderwijs? Deze vraag wordt onderzocht in de 7-delige documentaireserie Klassen, elke maandagavond te zien op NPO1. In de serie volgen Ester Gould en Sarah Sylbing (makers van het eerder bekroonde Schuldig) een schooljaar lang kinderen, docenten, schoolbestuurders en beleidsmakers in Amsterdam-Noord.

Socioloog Thijs Bol kijkt mee door een sociologische bril en bespreekt iedere dinsdagochtend de aflevering na op Sociale Vraagstukken. Wat zegt de wetenschap over de thema's die aan bod komen in Klassen? Vandaag een terugblik op aflevering 5 met als thema het middelbare schooladvies.

Tama’s moeder is euforisch en knuffelt haar dochter na haar havo/vwo-advies. Kinderen wensen elkaar vwo-adviezen toe en feliciteren elkaar als het ‘gelukt’ is. Maar waarom zou je iemand feliciteren met iets dat ‘bij ze past’? Vorige week was ik kritisch op de Britse scholen met expliciete lijstjes van leerlingen, maar wat we hier zien is heel erg vergelijkbaar. Goed is toch vooral hoog. ‘I just want to stay high with you’, zing Brittany Howard in de slotscène. Een mooie samenvatting van de aflevering.

In Klassen wordt steeds duidelijker hoe belangrijk verwachtingen zijn. Ouders hebben verwachtingen. Leerkrachten hebben verwachtingen. Kinderen hebben verwachtingen van zichzelf. Vrienden op straat hebben verwachtingen. Hoe beïnvloeden die verwachtingen de kansenongelijkheid?

Ouders

Er is ontzettend veel onderzoek gedaan naar het de verwachtingen die ouders hebben over het onderwijs van hun kinderen. Ouders uit hogere sociaaleconomische milieus hebben vaak hogere verwachtingen van de onderwijsprestaties van hun kinderen. Volgens een sociologische theorie komt dat doordat ouders vooral graag willen dat hun kroost minimaal het niveau behaalt wat zij zelf ook haalden.

Verwachtingen zijn relatief, ze zijn gespiegeld aan je eigen positie. Voor twee universitair geschoolde ouders is een havo-advies dus relatief laag, terwijl hetzelfde advies voor twee ouders met een mbo-opleiding relatief hoog is. Anyssa vindt haar havo-advies toppie, voor Viggo is zijn gemengd havo/vwo advies even wennen.

In een mooi en reflexief gesprek met Viggo’s ouders komt dit ook naar voren. Je kijkt naar je kind op basis van wat je zelf hebt gedaan. En dat doen alle ouders. Viggo’s ouders vertellen hem keer op keer dat een havo/vwo-advies prima is, het maakt hen niet uit. Zij hebben helemaal geen expliciete verwachting meer dat hun zoon naar het vwo moet, maar alsnog is het wennen voor Viggo: verwachtingen kunnen zich diep wortelen.

Esma krijgt als advies vmbo basis/kader met leerwegondersteuning

Zelfvervullende voorspelling

Veel studies naar verwachtingen richten zich op de rol van de docent. In de beroemde, maar ook veel bekritiseerde Pygmalion-studie ontdekten onderzoekers dat het IQ van kinderen sneller groeide als docenten hogere verwachtingen hadden. Een verwachting als zelfvervullende voorspelling: als een leraar veel van je verwacht, ga je ook daadwerkelijk beter presteren.

Christine Rubie-Davies doet al jarenlang onderzoek naar de rol van de verwachtingen van de leerkracht. Haar boodschap is duidelijk: hogere verwachtingen leiden tot betere onderwijsprestaties. Mensen brengen orde in de sociale wereld door andere mensen in hun hoofd op te delen in hokjes; ze differentiëren. Dat doen docenten dus ook, maar dan met hun verwachtingen over de leerprestaties van kinderen.

En dat, zo laat Rubie-Davies zien, beïnvloedt hoeveel ze leren en waar ze terecht komen in het onderwijssysteem. Ze adviseert docenten dan ook om vooral hoge verwachtingen van alle leerlingen te hebben. Dit is belangrijk voor de kansengelijkheid, want veel onderzoek laat ook zien dat docenten gemiddeld genomen lagere verwachtingen hebben van kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus. En dát is iets wat tijdens het scholenbezoek aan Londen in de vorige aflevering duidelijk te zien was. Daar had de schoolleiding en de docenten van alle leerlingen dezelfde, hoge, verwachtingen.

Op geen enkel moment op de basisschool worden de verwachtingen van de leerkracht explicieter gemaakt dan in het adviesgesprek. Directeur Ingeborg, van het Vogelnest, stelt dat ze een advies geven op ‘basis van de feiten’, niet op basis van wat ze iemand gunnen of wat ze denken dat ze zouden kunnen. Dat laatste zou wellicht dus wat vaker moeten gebeuren — juist kinderen uit kansarme milieus zouden hier baat bij hebben, omdat er bij heen relatief veel mogelijkheden tot groei zijn.

Einstein eet graag lekkere taart

‘De een is Einstein, en de ander bakt lekkere taarten’, zegt Meester Frans tegen een leerling die verdrietig is om haar rapport. Dat klopt natuurlijk. Het punt is dat dit blijkbaar nu al duidelijk is. De toekomst kan nu al uitgestippeld worden.

Dit gebeurt vaker. Er wordt over leerlingen gesproken als een ‘echte havo-leerling’, of een ‘echte vmbo-t leerling’. Maar wat is dat? Onderzoek toont aan dat het idee van een bepaald type leerling helemaal geen hout snijdt. Onderstaand figuur van de Onderwijsinspectie laat zien hoe 15-jarige leerlingen binnen één niveau op de middelbare school scoren op een algemene taaltoets. Wat opvalt is de enorme spreiding binnen niveaus: de beste vmbo-t-leerlingen scoren net onder het gemiddelde van het vwo. De bovenste 25 procent van de havo’ers scoort boven het vwo-gemiddelde.

Figuur 1. PISA-scores lezen per niveau

 

Als mensen keer op keer zeggen dat een niveau echt bij je past, dan ga je er vanzelf wel in geloven. En dan ga je ernaar handelen. Verwachtingen hebben een effect op hoe kinderen tegen hun eigen capaciteiten aankijken, en het beïnvloedt hoe ze presteren.

Het is nu heel makkelijk om met de vinger naar de docent te wijzen: zij doen het fout. Natuurlijk zal daar vast een slag gemaakt kunnen worden. Maar een veel fundamenteler probleem is dat ons onderwijssysteem leerkrachten opzadelt met de onmogelijke taak om 11-jarigen op te delen in verschillende categorieën. In verschillende hokjes. Zelfs voor de grootste vakmensen is dat een onmogelijke taak. De grenzen van die hokjes zijn namelijk ongelofelijk vaag. De vroege selectie in ons onderwijssysteem maakt dat verwachtingen van docenten, ouders en kinderen al op 11-jarige leeftijd heel expliciet gemaakt moeten worden. En dat leidt tot stress bij de kinderen, en tot verkeerde adviezen.

Tama omhelst haar moeder nadat ze haar schooladvies heeft gekregen: havo/vwo

De glijbaan

Leerkrachten en schoolleiders weten dat een passend advies geven lastig is. Daarom wordt er ook in bijna alle adviesgesprekken gezegd dat er nog voldoende mogelijkheden tot klimmen zijn. Je kunt ‘stapelen’: na de vmbo naar de havo, en dan naar het vwo. Maar tegelijkertijd weten we dat dit soort opwaartse mobiliteit in ons onderwijssysteem steeds lastiger wordt en minder gebeurt. Het aandeel scholen met lange en brede brugperiodes daalt, wat opstromen nog ingewikkelder maakt.

Dit blijkt ook uit het verhaal van Waïl in aflevering 5. Hij wil na zijn cum laude vmbo door naar de havo, maar dat gaat niet gemakkelijk. Er zijn allerlei extra barrières die beslecht moeten worden: goede cijfers, motivaties. Het idee dat je in Nederland makkelijk van het ene niveau doorstroomt naar het andere is een illusie. Scholen staan niet met open armen klaar voor leerlingen zoals Waïl, in tegendeel.

In aflevering 1 had Marjolein Moorman een gesprek met een groep vwo-leerlingen. Eén van hen had een vmbo-t advies gekregen en was via het vmbo opgeklommen naar het vwo. Nog steeds had zij het gevoel dat ze eigenlijk niet op het vwo thuishoorde. Verwachtingen zijn hardnekkig: zelfs als opklimmen wél lukt, hebben ze blijvend effect.

Tama gaat met haar moeder middelbare scholen bekijken. Tijdens een rondleiding op het Hyperion zegt ze enigszins bang te zijn voor de inmiddels befaamde glijbaan. Een mooie metafoor voor ons onderwijssysteem: naar beneden gaat een stuk makkelijker dan naar boven.

Thijs Bol is onderwijssocioloog aan de Universiteit van Amsterdam.

Dit artikel is 4226 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (7)

  1. Hoge verwachtingen van alle leerlingen hebben is niet eenvoudig; streven naar optimale ontwikkeling lijkt me mooi (en daar heb je kind, ouders en school bij nodig). Het is te makkelijk om te stellen dat op de Londense school iedereen hoge verwachtingen heeft: een lijst met 160 namen+prestaties zegt helemaal niets over de verwachting/ondersteuning/uitdaging, die eenieder krijgt.

  2. Minstens zo belangrijk als het begrijpen van ‘Pygmalion’ is het tegendeel daarvan: ‘het Golem-effect’, de negatieve verwachtingen. Vraag leerkrachten in de hoogste jaren basisschool welk soort opgaven ze adequaat vinden voor leerlingen uit hun ‘kopgroep’, ‘peloton’ en ‘staartgroep’ en zie: wat de kopgroep al in groep 6 krijgt aangeboden ontbeert de staartgroep zelfs nog in groep 8.
    Opmerkelijk is dat ongelijke verwachtingen van leerkrachten al op heel jonge leeftijd sporen met die van ouders: ze zijn minstens net zo sociaal ongelijk. Alleen de leerling zelf moet er nog achter komen: zelfbeeld.
    Op minder effectieve basisscholen veronderstellen leerkrachten dat hogere intelligentie nodig is voor hoge streefniveaus dan leerkrachten op de meer effectieve basisscholen. Zou hun eigen zelfbeeld hen misschien dwars zitten? En zou het werkelijk helpen als we de VO-keuze uitstellen? Wordt het effect van voorafgaande jaren dan plots tegengegaan?
    Blader eens door deze presentatie van alweer meer dan vijftien jaar geleden:
    https://jungbluth.nl/paul/wp-content/uploads/2016/02/N-pygmalion.pdf
    Blader eens door

  3. Absoluut eens met het feit dat er sprake is van kansenongelijkheid. Zelf ben ik leerkracht in groep 7 en ik vind het geven van voorlopige adviezen soms echt lastig. Ik probeer nooit in de valkuil van (onbewuste) vooroordelen te stappen, maar ik kan niet garanderen dat dit nooit gebeurt.
    Anderzijds zie ik ook problemen wanneer we deze keuze zouden uitstellen naar een latere leeftijd. En dan voornamelijk bij de kinderen die richting uitstroom praktijkonderwijs/vmbo basis gaan en de kinderen op vwo-plusniveau. Deze kinderen kan ik nu eigenlijk al niet bieden wat ze nodig hebben. Wel qua lesstof, want ik weet goed hoe ik kan differentiëren, maar niet qua welbevinden. Mijn ervaring is dat deze kinderen vaak opbloeien als ze op het vo tussen gelijkgestemden zitten. Hoe is het voor deze kinderen als ze nog langer met kinderen van allerlei niveaus in de groep zitten?

  4. Bij het aspect van de kan ‘kansenongelijkheid’ sluimert altijd onbewust het idee over het verschil tussen ‘hoofdarbeid’ en ‘handenarbeid’ en de kans op het krijgen van ‘hogere’ gekwalificeerde arbeid.
    Hoofdarbeid wordt dan altijd superieur gezien boven handenarbeid.
    Deze onterechte vooronderstelling domineert in het kansen (on)gelijkheidsdebat.
    Een andere visie op de kwaliteit van arbeid geeft een andere kijk op deze discussie.
    Bovendien is het maar de vraag of onderwijs slechts dient als toeleverancier van gekwalificeerde arbeid op de arbeidsmarkt.

  5. Allemaal mooie beschrijvingen van oorzaken en omstandigheden. De oplossing is niet uitstel van de keuze want de omstandigheden veranderen daarmee niet. Brede brugklassen zijn al ergens in de tachtiger jaren weer afgeschaft, Als de nus nog bestaan is er meestal sprake van een HAVO/VWO brugklas. En op dit moment is het geen advies aan het eind van groep 8, is het geen oordeel, maar een veroordeling. Wat we moeten organiseren is het makkelijker maken van opstromen. Van VMBO naar MBO en HBO, van VMBO naar HAVO en VWO etc. Het traject voor een leerling om aan zijn optimale top te komen wordt nu begrensd in de tijd. Dat hebben scholen extreem moeilijk gemaakt, gedwongen door de druk om hoog te eindigen in de scorelijsten. Zittenblijvers kunnen ze dus niet gebruiken, leerlingen mogen het niet ‘proberen’. Daar worden kansen echt niet geboden. Als de omstandigheden zo zijn is het toch geen probleem als leerlingen er een jaartje langer over doen?

  6. Wederom een verzameling van meerdere “problemen” die ervoor zorgen dat kinderen vroeg & onnodig in een hokje geduwd worden, waarbij de weg omhoog vele malen lastiger is dan naar beneden. Geladen begrippen in deze context trouwens, omhoog en naar beneden. Ik vind de roep om een bredere brugklas een hele goede start, het is waar dat we in de jaren 80 de middenschool al hebben geprobeerd (d.m.v. experimenten), maar zoals bij zoveel veranderingen in het onderwijs is dit of halfslachtig of veel te kort doorgevoerd. Als ik de ervaringen teruglees over de uitkomsten van die experimenten lijkt er vooral ook een grote politieke lading doorheen te zitten waardoor ook deze hervorming vroegtijdig met het badwater is weggegooid.
    Wat tegenwoordig een extra uitdaging geeft is de vereconomisering van het onderwijs. Dit zal mogelijk in mindere mate in het lager onderwijs gelden, in het hoger onderwijs gelden steeds meer doelen die gericht zijn op arbeidsproductiviteit van afgestudeerden . Als ik dit vergelijk met het richten op slagingspercentages op het middelbaar onderwijs & de splitsing in onder- en overadvisering op de basisschool dan lijkt dat op een systeem waarbij er vroeg wordt voorgesorteerd op het werk (en toegevoegde waarde voor de economie) waar je toe in staat geacht wordt.

    Geen wonder dat de spanning van de gezichten van de kinderen af te lezen is voordat ze een advies ontvangen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *