Praten over euthanasie in de ggz biedt kans op herstel

De helft van de ggz-patiënten wiens verzoek tot euthanasie bij psychisch lijden in behandeling wordt genomen, kiest uiteindelijk toch voor het leven. Wat veroorzaakt deze omslag bij hen? En wat kunnen sociaal werkers binnen de geestelijke gezondheidszorg hierin betekenen?

Sinds enkele jaren is een stijging te zien in het aantal euthanasieverzoeken door mensen met een psychiatrische aandoening. In 2019 werden door deze doelgroep 822 verzoeken tot euthanasie ingediend bij het Expertisecentrum Euthanasie (Experticecentrum Euthanasie, 2020). Dit aantal was in 2018 nog 696. In de tien maanden dat Expertisecentrum Euthanasie, destijds de Levenseindekliniek, actief was in 2012 waren dit er zelfs nog maar 222 (Kammeraat & Kölling, 2020).

De stijging van dit aantal verzoeken doet denken dat euthanasie binnen de psychiatrie meer bespreekbaar wordt. Dit blijkt echter niet het geval. Veel ggz-behandelaren vinden het vaak te complex om euthanasieverzoeken van hun patiënten te behandelen. Als gevolg hiervan verwijzen zij hun patiënten vaak door naar het Experticecentrum Euthanasie, waar de wachttijd inmiddels opgelopen is tot één jaar of langer (Van de Wier, 2019).

Gemoedsbezwaren en angst voor aanzuigende werking

Steven Pleiter, bestuurder van het Experticecentrum Euthanasie, stelt dat het taboe omtrent euthanasie de oorzaak is van het niet zelf afhandelen van euthanasieverzoeken door ggz-behandelaren (Van der Steenbergen, 2017).

Veel behandelaren branden er hun vingers liever niet aan. Volgens recent onderzoek is zelfs sprake van een terugloop in het aantal psychiaters dat bereid is om een verzoek tot euthanasie van een patiënt aan te horen (Kammeraat & Kölling, 2020). Laat staan om euthanasie te verlenen. Marc Blom, psychiater bij Parnassia Groep, meent dat psychiaters vaak bang zijn om in een stroomversnelling naar euthanasie terecht te komen wanneer zij dit bespreekbaar maken bij patiënten (Oosterom, 2020).

Vaak spelen ook gemoedsbezwaren een grote rol. Veel hulpverleners zijn bang om de mogelijkheid tot genezing weg te nemen bij patiënten die zonder euthanasie gezien hun fysieke gezondheid nog jaren zouden kunnen leven (Oosterom, 2020). Als hulpverlener wil je bijdragen aan het herstel van iemand. Maar is het wel zo dat je door middel van een euthanasietraject een patiënt zijn kans tot herstel zonder meer ontneemt?

Praten over euthanasie leidt bij de helft tot herstel

Uit het eerder genoemde onderzoek van Kammeraat & Kölling (2020) blijkt het in behandeling nemen van een euthanasieverzoek niet enkel een weg te zijn naar de dood, maar juist vaak tot herstel te leiden. Ruim vijftig procent van de onderzochte hulpvragers kiest toch voor het leven nadat hun verzoek door het Experticecentrum Euthanasie in behandeling is genomen.

Wat maakt precies dat mensen de kracht weer vinden om verder te strijden tegen hun psychische aandoening? Het Experticecentrum Euthanasie noemt hier meerdere redenen voor. In de eerste instantie zorgt het bespreken van de wens tot euthanasie ervoor dat de hulpvrager zich gehoord voelt. Het valideren van zijn doodswens en de erkenning die hem dit geeft, kan ervoor zorgen dat hij weer nieuwe motivatie vindt om toch door te gaan met leven.

Daarnaast zou het onderzoeken van de doodswens kunnen leiden tot nieuwe behandelingen. Vaak kan een gesprek waarin iemand serieus genomen wordt ervoor zorgen dat hij of zij toch nog een behandeloptie wil proberen, eentje die het verschil kan zijn tussen leven en dood. Deze mogelijkheid valt af wanneer de hulpverlener het gesprek vermijdt. Tot slot kan het gebeuren dat mensen tijdens het euthanasietraject opnieuw gediagnosticeerd worden en met deze nieuwe diagnose toch weer behandelperspectief zien.

Bekwamere sociaal werkers gaan het gesprek aan

De geestelijke gezondheidzorg moet euthanasie meer bespreekbaar maken. Pas wanneer het taboe rondom euthanasie doorbroken is, wordt een open gesprek tussen hulpverlener en hulpvrager echt mogelijk. Sociaal werkers zijn vaak de eerste schakel tussen iemand met psychische problemen en een behandelaar in de ggz. Bij een verzoek tot euthanasie heeft de sociaal werker door het veelvuldige contact dat hij met de hulpvrager had bijvoorbeeld een betere ingang voor een gesprek over de dood.

Onze uitdaging als sociaal werkers is om ons hard te maken voor het doorbreken van het taboe rondom euthanasie. Dit kunnen wij bijvoorbeeld doen door niet alleen bij onszelf maar ook bij onze collega’s alert te blijven op hoe wij met de doodswensen van hulpvragers omgaan.

Scholing zou hierin een belangrijke rol kunnen spelen. Meer educatie over euthanasie in de ggz kan hulpverleners helpen om zich meer bekwaam te voelen in gesprekken over dit thema. Bijvoorbeeld als ze meer weten over de wettelijke eisen bij euthanasie en over hoe ze het gesprek over euthanasie met een hulpvrager kunnen vormgeven. Als hulpverleners zich bekwamer voelen, zullen zij dit gesprek ook minder snel uit de weg gaan.

Helpen de weg naar herstel vrij te houden

Een bijdrage leveren aan het euthanasietraject van iemand met psychische problemen kan beangstigend zijn. Meewerken aan iemands dood is iets wat voor ons als mens erg onnatuurlijk voelt, maar uiteindelijk zijn wij er om het belang van de hulpvragers te behartigen. Zij moeten op ons kunnen rekenen tijdens hun moeilijkste momenten. Hoe verdrietig is het als wij hen juist wanneer zij ons het hardst nodig hebben de rug toekeren? Een betere bespreekbaarheid van euthanasie is waar wij voor moeten strijden. Om te zorgen dat de hulpvrager zich gehoord voelt en daarmee het pad naar herstel vrij te houden.

Voor mensen met psychische problemen die daadwerkelijk uitbehandeld en uit gestreden zijn, kan dit traject toch resulteren in de dood. Maar wel in een waardige dood. Een dood omringd door dierbaren en ingericht zoals deze mens dit wil. Niet een eenzame en gewelddadige dood, zoals een suïcide.

Yaël de Kruijf is Sociaal Pedagogisch Hulpverlener met specialisatie ggz-agoog. Dit artikel is gebaseerd op het onderzoeksartikel waarmee zij de artikelwedstrijd van de Hogeschool Utrecht – één van de Topartikelen 2020 – won.

 

Bronnen

Expertisecentrum Euthanasie (2020). Feiten en cijfers patiëntenzorg 2019.

Kammeraat, M. & Kölling, P. (2020, 17 februari). Psychiatrische patiënten bij Expertisecentrum Euthanasie, periode 2012-2018.

Oosterom, R. (2020, 26 februari). Euthanasie binnen de eigen muren? De ggz twijfelt.

Van der Steenbergen, E. (2017, 26 oktober). Psychiaters te bang bij euthanasie.

Van de Wier, M. (2019, 19 december). Honderd psychiatrisch patiënten op de wachtlijst voor euthanasie. ‘Dramatisch’.

 

Foto: Corey Hearne via Unsplash

 

Dit artikel is 2014 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Drie zijdelingse opmerkingen.

    Eerste opmerking.
    Ik weet dat je met casuistiek niets bewijst. Toch wil ik Theo voorstellen. Theo is al veertig jaar dood en leeft alleen nog in mijn herinnering. Theo kende ik van de dagkliniek in Maastricht. Op het plein voor Vijverdal stond een beeld met als titel ‘ De geest overwint’. Niet dus want Theo sprong van de brug en verdronk wat geheid pandoer was want Theo kon niet zwemmen. Theo kon bijna niks, hij was wel in de psychiatrie terechtgekomen maar zijn eigenlijke probleem was dat hij in geen enkel opzicht tegen het leven was opgewassen. Hij en het leven accordeerden niet, hij was er nooit in geslaagd om zijn talent te vinden, hij wilde overal bij horen maar niemand wilde bij hem horen en hij had er alles aan gedaan om zijn leven een draai ten goede te geven. Tot en met de verplichte nummertjes in de dagbehandeling waar hij braaf meedeed aan hydrotherapie (zwemmen), creatieve therapie (knutselen) en dramatische expressie (stukjes opvoeren) Tot het genoeg was en hij van de brug sprong. Die laatste wandeling die Theo in zijn eentje maakte, heeft hij welbewust en rustig gemaakt, dat weet ik zeker, zijn enige zorg was waarschijnlijk hoe hij over het staketsel moest raken want hij was ook nog eens fysiek geen knip voor de neus waard.
    Had ik vrede met Theo’s beslissing ? Ja. Had Theo gered kunnen worden? Nee, hooguit had hem nog meer schade berokkend kunnen worden door mensen die menen dat ze goed doen maar onheil op onheil stapelen. Soms lukt het niet meer, kan het niet meer en hoort zelfdoding bij een leven van psychisch lijden. Door achteraf te menen dat degenen die zo vertrekken misschien toch nog ‘ geholpen’ hadden kunnen worden, zet je ze postuum in hun hemd.

    Tweede opmerking.
    Er is een grote groep in de Nederlandse bevolking die het levenseind in eigen hand wil nemen. Zonder middelaars, zonder dokters en zonder ‘ deskundige begeleiders’ . Die groep, het is bekend wordt op dit moment tegengewerkt, door het OM die de cooperatie laatste wil dreigde met ‘ georganiseerde misdaad’ en recent door Grapperhaus die de benoeming van een verlicht juriste blokkeert. Als puntje bij paaltje komt leven we in een land van christelijke pilaarbijters die andersdenkenden graag hun ‘ via, vita, veritas’ opleggen. Dat is een juk voor iedere seculiere Nederlander. Maar wat de GGZ patient nog eens extra treft is dat hij of zij nog een horde moet nemen, nl. die van de psychiater. Die mag en moet (?) bepalen of jouw wens wel legitiem is of niet, of er misschien toch nog ergens naalden in hun hooiberg verstopt zijn. En wie weet vinden de stofjesdokters in hun oude dagen toch nog iets.
    Wat ik maar wil zeggen is dat als psychiatrische patienten zich van het leven willen beroven ze allereerst moeten ophouden om psychiatrische patient te zijn en het systeem te steunen dat ze tegenhoudt. Stap dan uit de ggz en zoek als ieder ander naar een acceptabele laatste daad. Die weg is voor iedereen moeilijk en ingewikkeld en dus ook voor ‘ de’ psychiatrische patient. Die veel meer is dan het uitbehandelde, kapotte ‘ geval’ met een betwiste wilsbekwaamheid die voor de psychiater staat. Neem als je dood wil eerst je volle burgerrechten terug!

    Derde opmerking.
    Ik loop al wat langer mee. In de tachtiger jaren van de vorige eeuw toen er nog echte clientenorganisaties waren, overlegden de Clientenbond (waar ik toen voorzitter van was) en de LPR en Pandora jaarlijks met het triumviraat van wat toen nog het NCGV heette (nu het Trimbos). Het triumviraat bestond uit van der Grinten, van Lieshout en Schnabel. Het ging over hun onderzoeksagenda. Toen was er net als nu veel te doen over de hoge aantallen suicides in de psychiatrie. De geaccepteerde verklaring daarvoor was dat de patienten suicidaal waren. Onze verklaring was dat psychiatrische instellingen ‘ suicidegeen’. (sorry voor het lelijke woord) waren, een oord waar suicide uitgelokt, getriggerd wordt. Onze stelling was dat mensen suicidaal worden in de ggz. Bijvoorbeeld door de hoge concentratie van mensen met vergelijkbare problemen, door de rollenarmoede, sociale uitsluiting en epidemische werking van andere suicides. Als je al een doodswens hebt, dan is de ggz een gevaarlijke plek, vergelijkbaar met die van een alcoholist die in een slijterij wordt opgesloten. Toen we voorstelden om daar eens onderzoek naar te doen trok het triumviraat wit weg. Stel je voorf wat hun ‘ stakeholders’. daar over zouden denken. Dat onderzoek is er dan ook nooit gekomen. Als je het over doodswensen in de psychiatrie wil hebben, is ook hier de conclusie, zul je uit die wensen allereerst maar eens de instituten en de psychiatrie moeten halen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *